AMSTERDAM - Het werd nog net geen academisch kwartiertje, maar de dames en heren van het Orkest J. Pzn Sweelinck van de Universiteit van Amsterdam namen behoorlijk de tijd om plaats te nemen en te stemmen. Toen het oudste amateur symfonieorkest van Nederland dat uiteindelijk voor elkaar had en dirigent Vincent de Kort de trap was afgedaald, volgde een opvallend goed uitgevoerd programma.
Het werd echter volledig en bij voortduring verstoord door ongegeneerde hoesters, kuchers en rochelaars. Het gaf te denken over de bezoeksfrequentie aan de concertzaal (en de daar geldende fatsoensnormen) van de vrinden, vrindinnen en familieleden van de musici.
Meteen in Bernsteins ouverture tot 'Candide' werd de link gelegd naar de meer banale gedeeltes van Sjostakovitsj' vijfde symfonie die na de pauze geprogrammeerd stond. Vooral de hoorns wezen met z'n vieren in de ouverture vooruit naar het spel dat ze met een collega erbij in de symfonie lieten horen. Het contrapunt dat Bernstein voor de hoorns ingenieus invlechtte in de vrolijke melodie klonk heerlijk brutaal en schetterend. Vincent de Kort hield de musici in de ritmisch complexe partituur bij elkaar en leidde hen in het 'Glitter and be gay'-gedeelte naar een mooie climax.
De Kort heeft met de amateurmusici ook wonderen verricht in de heus niet eenvoudige symfonie van Sjostakovitsj. Het werk moet het vooral hebben van de tegenstellingen tussen de verschillende instrumentengroepen, die vaak afzonderlijk opereren en op sommige plaatsen onbeschaamd samenkomen voor een maten lang durend unisono. Daar herken je de echte Sjostakovitsj aan en daar weet je ook of er een goed orkest speelt. Want hoe relatief eenvoudig die unisono-passages ook lijken, ze zijn razend moeilijk en lastig realiseerbaar.
Zo liep de begeleidingsfiguur van de strijkers in het eerste deel (één kwartnoot en twee achtsten, en dat maten lang herhaald) lang niet synchroon en ook in de denderende slotmaten waren legio ongelijkheden te bespeuren. Maar dat nam niet weg dat er fraai gemusiceerd werd en dat De Kort heel aardige dingen realiseerde. Zijn tempokeuze was in ieder geval voor een amateurorkest zeer hoog en het spreekt voor het orkest dat er niet meer ongelukken gebeurden. Er klonken mooie soli van de verschillende eerste instrumentalisten in deze bij tijd en wijlen (de koper-koraal-finale bijvoorbeeld) zeer Mahleriaans aandoende symfonie. Vooral het tweede deel (zo'n banale, ontwortelde wals waar Mahler het patent op heeft) was in sfeer en uitwerking (zoals gezegd schitterende hoorns, maar ook fagotten) zeer geslaagd.
Tussen Bernstein en Sjostakovitsj in speelde Paolo Giacometti het vierde pianoconcert van Beethoven. De vijfentwintig jarige Giacometti, die dit jaar afstudeert in Amsterdam bij Jan Wijn, deed dat met een zeer sterk ontwikkelde linkerhand, die niet alleen op de bekende plaatsen in het concert de boventoon voerde, maar die ook onbelangrijk lijkende begeleidingsfiguren prachtig liet uitkomen. Het pedaalgebruik was gedurfd, soms misschien iets te veel, maar tegen een orkest met circa veertig strijkers geoorloofd. Giacometti wisselde met gemak van legatospel naar jeu perlé en wist meer dan eens te laten horen waarom dit concert zo revolutionair is.
Vincent de Kort bewees met zijn heldere directie, waarin het enkelvoudig bezette hout het niet aflegde tegen die grote strijkersgroep, dat hij wat geleerd heeft van zijn muzikale omgang met mensen als William Christie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.