*

 
dossier

Archief

Ambtenaren van Justitie vielen de minister niet lastig met opsporing

TEUN LAGAS − 12/09/95, 00:00

DEN HAAG - Voor het eerst vlogen de stekeligheden over en weer. Na een eerste week brave, voorspelbare verhoren scherpten de leden van de parlementaire misdaad-enquête hun aanpak gisteren aan.

De twee topambtenaren van Justitie die getuigden, hanteerden al hun vergadertrucs om zich niet in de hoek te laten drijven. Een ijzige mr. H. P. Wooldrik, directeur-politiezaken, probeerde de enquêtecommissie terecht te wijzen: “Ik denk dat de vraag toch iets anders geformuleerd zou kunnen worden.” En zijn collega-ambtenaar mr. P. van der Beek sputterde al net zo hard, toen zijn langdurig en ontwijkend betoog weer eens door de Kamerleden werd afgekapt: “Ik probeer u iets uit te leggen.”

Wat de commissie van deze beleidsambtenaren wilde weten, was waarom het de afgelopen jaren allemaal zo traag en formeel toeging bij de oprichting van speciale recherche-eenheden tegen de zware criminaliteit èn de controle op sommige omstreden opsporingsmethoden van diezelfde politiemensen. De twee ambtenaren kaatsten de bal terug. Politiek Den Haag eist immers vaak te veel van het ambtelijk apparaat. De sneer van Van der Beek, hoofd afdeling georganiseerde criminaliteit op het ministerie, was duidelijk: “Het beeld ontstaat wel eens, dat wanneer je iets op papier zet het er de volgende dag ook ìs.”

Hoe moeizaam dit verhoor ook verliep, de enquêtecommissie kreeg wel globaal het plaatje op tafel dat ze wenste te zien. In 1992 verschijnt onder verantwoordelijkheid van CDA-minister van justitie Hirsch Ballin de beleidsnota 'Criminaliteit in Nederland'. Het dreigingsbeeld daarin van steeds beter georganiseerde drugcriminaliteit noopt tot verbetering van het recherchewerk. Er moeten vijf of zes 'kernteams' van rechercheurs komen om de zware criminaliteit met zwaardere en slimmere wapens te bestrijden. Het later door interne ruzies opgeheven IRT-team Noord Holland/Utrecht is daarvan het eerste voorbeeld. Al in 1993 worden de eerste risico's duidelijk van dit nieuwe grensverleggende recherchewerk. Gaan de politiemensen niet te ver met hun infiltratietechnieken, inkijkoperaties en het doorlaten van partijen drugs om de crimi-organisaties in kaart te krijgen? Wordt de verantwoordelijke bewindsman Hirsch Ballin wel voldoende gewaarschuwd door zijn ambtenaren dat de politie zich op glad ijs begeeft?

De ambtelijke top op het departement blijkt het echter niet nodig te vinden de minister op de hoogte te brengen van allerlei spectaculaire ins en outs van het recherchewerk. Zelfs als de twijfel over sommige omstreden opsporingsmethoden rijst, hanteert men op het ministerie nog het principe: de minister hoort geen opsporingsambtenaar te zijn. Hooguit in 'algemene termen' kaarten de ambtenaren bij hun bewindsman het probleem aan. Hij krijgt te horen dat de gewaagde opsporingstechnieken, die worden toegepast in de fase voordat justitie concrete verdachten op de korrel heeft, ooit een keer in een nieuwe wettelijke regeling moeten worden gevat. Veel meer zorgen bereiken de minister echter niet.

Commissie-voorzitter Van Traa zocht gisteren vertwijfeld naar een duidelijk gemarkeerd moment waarop de alarmbel luidde op het departement: “Er moet toch een moment zijn geweest dat bij u inhoudelijke discussie ontstond over de vraag hoever de politie kon gaan met opsporingsmethoden?” Wooldrik kon dat niet aanwijzen. Stoïcijns: “Wat was de vraag, voorzitter?”

Het praten op de ministerskamer over concrete operaties bleef beperkt. Dan ging het bijvoorbeeld om de bescherming van criminele getuigen of het uitkeren van tipgeld. Hirsch Ballin hoorde ook van twee buitenlandse verzoeken om hulp. Op aandringen van de Amerikanen en Canadezen werden twee frontstores opgericht, dekmantelbedrijven waar rechercheurs als schijncriminelen meewerkten aan vervoer en opslag van drugs.

Dat soortgelijke opsporingsmethoden langzaam maar zeker de pan uitrezen, kreeg de minister echter niet te horen. De werkelijke omvang van de nieuwe technieken bleek later. Hirsch Ballin werd pas na de IRT-affaire met de neus op de feiten gedrukt en sneuvelde in het politieke debat daarover.

mailIcon print |