*

 
dossier

Archief

Pastor onderscheidt zich door driehoek met God en gemeente

WERA DE LANGE − 27/01/95, 00:00

Vijftien hervormde predikanten zijn er voor het proefschrift 'Pastor tussen macht en onmacht' geïnterviewd. Twee van hen hadden in hun beroepsleven nooit een periode van crisis of overspannenheid gekend. Dertien dominees hadden dat wèl.

Hebben pastores het zwaar? Promovendus Rein Brouwer onderzocht hun neiging naar 'burn-out', naar opbranden. De studie vergelijkt niet met andere beroepsgroepen als vrachtwagenchauffeurs, leraren, verpleegsters, bijstandsmoeders of bankiers.

De vijftien slachtoffers reppen niet van langdurige arbeidsongeschiktheid of psychiatrische behandeling. Dominees lijden dan ook vermoedelijk niet méér aan 'deze moderne tijd' dan anderen. Ze lijden ànders. En daarom is de studie hier en daar interessant. Niet dáár, overigens, waar wordt beweerd dat dominees 'met een negatief zelfbeeld' sneller 'opbranden' dan dominees die zichzelf aardig vinden. Zelfhaat is zelden een voordeel in het leven. En dat is niet de enige open deur in het boek.

Maar interviews, dicht op de huid, zijn al gauw interessant. Hoe dichter Brouwer bij dat ruwe materiaal blijft, des te beter zijn boek.

Autonoom

Eén van de eigenaardigheden van het predikantenberoep is dat er geen gewone sterveling boven de dominee staat, die voorschrijft wat hij moet doen. Hij is in de praktijk autonoom en de machtigste man in de gemeente, kerkorde en kerkeraad ten spijt. De pastor buigt alleen voor die Ene, wiens woord hij zegt te verkondigen. Uit het onderzoek van Brouwer blijkt dat veel predikanten dat eng vinden, die autonomie en zelfs de omgang met God.

'Pastor tussen macht en onmacht' kookt hier en daar over van die vrees: “Bij tijdschrijven komt predikant nummer acht (Brouwer houdt zijn vijftiental netjes op nummer en niet op naam - red.) op weken van 60/65 uur. Eigenlijk zou hij willen dat de kerk vaste uren zou aangeven, waarop hij zou moeten werken en dat er een vaste taakomschrijving is.” In tijden waarin niemand nog sprak over 'individualisering' genoten dominees van hun autonomie. Nu smeken ze om een kerkelijke prikklok.

Predikant drie lijdt onder de 'versnippering' en 'de inhoudelijke lading' van zijn beroep. “Op het moment dat je er niet meer achter staat, moet je ermee ophouden en dat legt een ontzettende claim op het beroep. Het luistert nauw bij een predikant: als je je geestelijke identiteit zou verliezen, dan zou je je beroep verliezen en dat heeft iets heel kwetsbaars.”

Met andere woorden: Als een predikant niet meer in God gelooft, op wat voor manier dan ook, moet hij opstappen. Ja, natuurlijk. Waarom anders predikant geworden? Heeft het zin een probleem te maken van de essentie van je beroep? Predikant drie doet denken aan een onderwijzeres, die klaagt, dat er zo maar van haar verwacht wordt dat ze het leuk vindt met kinderen om te gaan.

Wat mij betreft, had Brouwer wel wat meer werk mogen maken van de driehoek predikant, God en de seculariserende medemens. De kop van de spijker lijkt me eerder dáár te vinden, dan in algemene professionaliseringstheorieën - bij de invloed van het 'zelfbeeld' van de dominee, bij het nut van 'intercollegiale toetsing' en de 'protocollisering' van het beroep.

Brouwer haalt veel overhoop. Een aardig en leesbaar, maar niet in het geheel verzonken hoofdstuk handelt over de geschiedenis van de Bond van Nederlandse Predikanten, een in Europa unieke en effectieve behartiger van de materiële belangen van de predikanten. Zij heeft er in enige decennia voor gezorgd dat de hervormde dominee in het materiële in ieder geval géén klagen heeft. De invloed van de verzamelde predikanten op de besluitvorming binnen de Nederlandse hervormde kerk is (mede) door toedoen van de bond sterk vergroot.

Het wordt de lezer van 'Pastor tussen macht en onmacht' niet gemakkelijk gemaakt het overzicht te houden. Brouwer formuleert aan het begin van het boek niet precies welk probleem hij wil (helpen) oplossen, en vat aan het eind niet krachtig samen wat hij denkt te hebben gevonden. Brouwers aanvangshypothese is dat 'professionalisering gezien kan worden als het proces waarbij het predikantschap, wat betreft de beleving en de beoefening steeds meer verwantschap gaat vertonen met andere hulpverlenende beroepen'. Of die verwantschap wenselijk is, of ze groeit, of ooit zál groeien, dat wordt in het vervolg maar half duidelijk.

In het historische gedeelte komen we de fall out van deze hypothese (gelukkig) nauwelijks tegen. En in het hart van het onderzoek, de vijftien 'half gestructureerde' interviews, worden we er ook niet veel wijzer over. De professionaliteit is niet des dominees hoofdprobleem, hoe stoer dominee één ook uitroept dat predikant 'een heel gewoon beroep is', terwijl collega drie 'zijn pastoraat beschouwt als hulpverlening, gelijkwaardig aan die van andere hulpverleners in het home-team'.

Ook predikant nummer zeven, voor wie 'theologie een hulpwetenschap is voor hoe hij mensen behulpzaam kan zijn', overtuigt niet. Het probleem is, dat de hulpzoekende medemens de dominee niet ziet en ook niet kàn zien als 'een gewone hulpverlener'. Geen pastor kan het probleem van God, geloof en geloofsafval overschreeuwen. Loos klinkt predikant acht, waar hij zegt: “Het predikantschap is een gewoon beroep, een keihard beroep, een vak, je hebt een produkt aan te bieden.” Als het om verkoopcijfers zou gaan, was een beetje dominee al lang overgeschakeld op andere koopwaar.

Juist die driehoeksverhouding met God en de gemeenteleden, zal predikanten fundamenteel van 'andere hulpverleners' blijven onderscheiden. Waar dat onderscheid wegvalt, houdt de predikant op predikant te zijn en rest slechts een slecht opgeleide hulpverlener, dan wel een vertegenwoordiger voor een aflopende zaak. Het gaat om de inhoud van wat ze te melden (zouden moeten) hebben en dat realiseren de stoeren zich zo goed als de meer traditionelen: “Ik voel me sprakeloos”, zegt dominee één.

Allemaal dromen ze in slechte nachten, dat ze met hun mond vol tanden staan, dat ze niets te zeggen hebben. Het boek krijgt de allure van een roerende slapstick als de vijftien hun nachtmerries omschrijven: je staat op de kansel en realiseert je dat je je preek thuis hebt laten liggen, dat de blaadjes helemaal door elkaar gehusseld zijn en nooit meer op volgorde te krijgen, dat je helemaal geen preek hebt voorbereid, dat de kerk tegenover je totaal uitgestorven is.

Rein Brouwer zelf komt trouwens - geheel buiten zijn feitelijk onderzoek om - aan het slot met een fictieve ideale dominee op de proppen, die aan heel andere eisen moet voldoen dan de professionele therapeut of gepokt-en-gemazelde clubhuiscoördinator, die hij ons daarvoor heeft proberen te slijten.

Godsgeschenk

Pagina's lang zijn we om de oren geslagen met pleidooien voor controle over en door collega-dominees, voor inperking van de predikantenautonomie, voor een betere beroepsopleiding en voor 'protocollisering' van de werkzaamheden. En dan opeens blijkt de 'professionele' predikant, zoals Rein Brouwer hem of haar ècht wil zien een persoon, die zichzelf 'openstelt' voor de 'innerlijke vrijheid' die komt als 'een Godsgeschenk'. Het zelfvertrouwen van de professionele predikant stoelt, legt deze nieuwe Rein Brouwer uit, op Godsvertrouwen. Het element van 'roeping' moet weer worden opgewaardeerd, gaat hij voort. Kortom, niks professonalisering , niks 'gewone hulpverlener'. Als 'innerlijke vrijheid' en Godsvertrouwen de kern van het vak zijn, zie ik niet hoe dat in intercollegiale toetsing en protocollen kan worden gevat.

mailIcon print |