BELOJARSK - Door koude en armoede is het leven in het Oeral-dorpje Belojarsk met zijn 1500 inwoners traag. Op een enkele voorzichtig schuifelende bejaarde en wat zwerfhonden na is er op straat eigenlijk nauwelijks sprake van enig leven. Maar achter een fris blauw geschilderde schutting aan de hoofdstraat, de Vredesstraat, bruist het van de activiteit. Circa twintig Russen in dienst van de Amstelveense verpakkingsmultinational Van Leer, maken hier stalen oliedrums.
Van Leer is een van de weinige Nederlandse bedrijven die de stap heeft gewaagd zelf te gaan produceren in Rusland. Ruim drie jaar geleden is Van Leer begonnen. En dat niet in de nabijheid van het relatief veilige Moskou of St. Petersburg, waar infrastructuur is en de omgeving gewend is aan buitenlanders. Het vatenfabriekje van Van Leer bevindt zich middenin het niets, op ruim 1500 kilometer afstand van de Russische hoofdstad.
De keuze voor Belojarsk, dat ligt op een uur rijden van Jekaterinenburg, was niet toevallig. Shell begon indertijd met de productie van olie in Perm, eveneens in de Oeral. Aangezien Van Leer Shell graag overal ter wereld bedient, trok het bedrijf achter de Nederlands Britse olieproducent aan. Van Leer kwam in het gat Belojarsk uit, omdat zich daar een Russische vatenproducent bevindt, waarmee een gemeenschappelijke onderneming kon worden gestart.
Er leek geen vuiltje aan de lucht. Een gerenommeerde multinational als belangrijkste klant en een samenwerkingsovereenkomst met een lokale branchegenoot boden Van Leer mooie vergezichten. Maar het liep allemaal wat anders. Het verhaal van 'Van Leer-Oeral' maakt begrijpelijk waarom veel ondernemers nog altijd niet staan te trappelen om in Rusland zelf aan de slag te gaan. Anderszijds heeft de verpakkingsmultinational bewezen dat ook in dit deel van de wereld de aanhouder kans heeft te winnen.
Op alle fronten dienden zich problemen aan. Shell spiegelde Van Leer een afname voor van 30 tot 60 000 vaten per jaar. En dat aantal zou flink stijgen. Tot op de dag van vandaag neemt de oliemaatschappij niet meer dan een fractie af van dit aantal. “En daarin zit weinig progressie”, aldus Adry Kooyman, een Van Leer-finance manager die regelmatig naar Belojarsk afreist om de vinger aan de pols te houden.
'Gedeelde smart is halve smart' was het motto waaronder Van Leer de tegenslag incasseerde. De vatenmaker liet zich echter niet uit veld slaan, en begon een eigen Russische klantenkring op te bouwen. Terwijl Shell een bijrol speelde, werden in Belojarsk in 1997 ruim 150 000 vaten geproduceerd bij een omzet van zes miljoen gulden. De totale omzet in vaten bedraagt bij Van Leer 1,6 miljard gulden.
Voor volgend jaar verwacht Kooyman een verdubbeling van de productie in Belojarsk. Geïnspireerd door Belojarsk gaat Van Leer ook nog vaten maken op andere plaatsen in Rusland. De finance manager is ervan overtuigd dat 'het gaat gebeuren in Rusland'.
Bij Van Leer is daar wel eens anders over gedacht. Toen de samenwerking met de lokale partner op een debacle uitliep, waren ze bij Van Leer de aftocht nabij. Medio 1994 huurde Van Leer van het enige bedrijf in Belojarsk, Beitz, kantoorruimte en een fabriekshal. Plotseling ging de huur fors omhoog. Beitz, dat nauwelijks meer produceert, wilde volgens Kooyman zijn honderd werknemers volledig betalen van de huurpenningen.
Om de Nederlanders onder druk te zetten werd de elektriciteit afgesloten. Kooyman: “Wij hebben toen gedreigd te vertrekken. Dan moet je niet bang zijn, ook al kost dat dan een half miljoen gulden.” Inmiddels heeft Beitz een nieuwe eigenaar, waarmee de praktische zaken nu goed zijn geregeld.
Verder ontpopte Beitz zich van partner tot concurrent. De buurman ging de Van Leer-vaten imiteren. Maar daarover heeft Kooyman zich nimmer druk gemaakt. De kwaliteit is inferieur. Het staal is twee keer zo dik. De Beitz-vaten met hun rauwe lasranden zijn nog ver verwijderd van het internationale keurmerk, waarover Van Leer beschikt.
Alexander Fomin is de productieleider bij Van Leer-Oeral. Voor de komst van de Nederlanders was hij adjunct directeur bij Beitz, de experimentele instrumentenfabriek van Belojarsk. Toen het conflict uitbrak tussen zijn nieuwe en oude baas heeft hij enkele maanden niet gesproken met de laatste. Ze zijn inmiddels weer vrienden nu de boedel is gescheiden en Van Leer honderd procent eigenaar is geworden van het vatenfabriekje.
'Een kat in het nauw maakt vreemde sprongen', verklaart Fomin het gedrag van zijn voormalige chef. Die runt een bedrijf dat de val van de Sovjet-Unie in feite niet heeft overleefd. Beitz, waar in 1979 500 mensen werkten, produceerde al de benodigdheden voor de Sovjet-boomharsindustrie. Toen de grenzen in 1991 opengingen, bleek de Russische hars niet meer te kunnen concurreren met hars uit China. De gehele bedrijfstak verdween en Beitz werd brodeloos. Het stinkende halletje waar vaten worden gemaakt, is het enige wat nog rest van Beitz.
Fomin is ontsnapt aan deze treurnis. En dat is hem aan te zien. De bedrijfsleider is gedreven en lacht. Iets waar de gemiddelde Belojarsker weinig aanleiding toe heeft. De bejaarden hebben al lang hun pensioen niet ontvangen, en werklozen krijgen maandelijks een uitkering van circa 50 dollar. Fomin en zijn collega's verdienen gemiddeld 200 dollar per maand.
Volgens Fomin is Van Leer de redding van Belojarsk. Maar dat is niet iedereen met hem eens. Katrina, verkoopster bij de lokale kruidenier, merkt maar bar weinig van Van Leer. De werknemers van het bedrijf kopen hoogstens wat duurdere spullen. Voor het overige maakt Van Leer volgens haar maar een paar mensen gelukkig in Belojarsk.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.