De weg naar Larbâa was mooi. Hij getuigde van welvarendheid. Vanaf Oued Slama, de onlangs door de GIA (Gewapende Islamitische Groep) heroverde basis, zijn er slechts sinaasappelboomgaarden, wijnstokken, chique huizen, akkers van gerst en tarwe - het klassieke landschap van deze steek, La Mitidja.
We passeren een fabriek in aanbouw. We komen kleine stalletjes tegen waar mandarijnen of sigaretten verkocht worden. In de stad zelf zitten de terrasjes vol; de juwelier is geopend, op het trottoir warmen de oudenvandagen zich in de decemberzon en de jongeren spelen een potje straatvoetbal.
Kortom, afgezien van het veelvoud aan bordjes 'Langzaam rijden' en 'Stop politie!', afgezien van de kleine mitrailleur voor het gemeentehuis, afgezien van de zandzakken op de daken van twee villa's met uitzicht op de bergen, zou niets doen vermoeden dat we een stad binnengaan die twee dagen geleden nog het toneel was van een bloedbad.
Om de situatie op waarde te kunnen schatten moet je wachten tot je in Djiboulo bent, de getroffen wijk. Rechts een huizenblok uit de jaren zestig, neergezet op een onbestemd stuk land waar schapen grazen; links, dertig meter achter een droge rivierbedding, de verzameling lage huizen, geen stadswoningen en geen landhuizen, waar de slachting zich heeft afgespeeld.
Over het scenario van de aanval zijn de ooggetuigen het eens. Eerst zijn er, hetzij een dag van tevoren hetzij op de dag zelf, verkenners gekomen om de doelen onopvallend te markeren - mogelijk waren dit als vrouw verklede mannen. Bij het vallen van de avond heeft een tweede groep mijnen gelegd op de belangrijkste toegangswegen. Groep drie heeft zich verdekt opgesteld in de wijngaarden. Kort voor middernacht heeft een vierde ploeg het transformatorhuisje opgeblazen, waardoor de wijk in duisternis gedompeld werd en de alarminstallaties van de huizen werden uitgeschakeld.
Toen bestormde een laatste groep, voorafgegaan door een kar met daarop de buitgemaakte spullen uit verwoeste huizen, de gedoemde wijk. Probeerden ze aanvankelijk de huizen rechts van de bedding aan te vallen? Enkele getuigen bevestigen het me - eraan toevoegend dat de bewoners onmiddellijk de daken op gevlucht zijn om de aanvallers met stenen te bekogelen. De meeste benadrukken echter de extreme precisie waarmee de aanval werd uitgevoerd: eerst het ene huis, dan het volgende en telkens één man die, zaklantaarn in de hand, de huisdeur intrapt, de vrouwen eruit haalt en de mannen bij hun naam noemt en dan vermoordt.
Een van die huizen ga ik binnen, een verkoolde ruïne, er staat nog slechts een naaimachine, een bundeltje kinderkleren, een pluk zwart haar, duidelijk haar van een vrouw, dat een jongeman opraapt en aan mij geeft maar waarvan ik niet weet wat ik ermee moet en dat ik domweg tussen twee brokken van een verbrande muur steek.
Ik ga het huis in van de familie Chérif, ook dit is geheel verbrand: acht mooie kamers rond een patio, de trots van de familie, het enige wat er van over is, is het rommelhok waarin Mouloud, die de aanslag overleefde, zich schuilhoudt.
“Wees niet bang, wij zijn vrienden!” had de viezige, langharige man hem toegeroepen, een halouf [Arabisch scheldwoord, lett. varken], je zou zeggen dat hij een wild zwijn was dat een meelvoorraad plunderde. “Wees niet bang, wacht op mij, ik kom eraan!” Hij had niet gewacht, allicht. Hij had een sprint genomen en zich onder een werkbank verstopt. En vanaf die plek heeft hij gezien hoe de man zijn vader achtervolgde, uitschold, het huis uit sleepte en daar, enkele meters van hem vandaan, met een bijl onthoofde.
De verklaring van deze felheid? De reden van deze misdaden, waarbij alles erop duidt, het zij nogmaals gezegd, dat ze een precies bepaald doel hadden? Ik durf de vraag niet rechtstreeks te stellen. Maar in de loop van de dag kom ik erachter dat Larbâa, in 1991, een bastion van het FIS (het Islamitisch Heilsfront) was. Het was zelfs, naar ik verneem, sinds de jaren tachtig de bakermat van het 'bouyalisme', de voorloper van het hedendaagse islamitische terrorisme. Ik hoor ook - maar later! In Algiers! want over dat 'geheim' zal op de plaats zelf niemand er met een woord over reppen - dat er reeds in de zomer van 1997, op 28 en 31 juli, twee afschuwelijke bloedbaden hebben plaatsgevonden in Larbâa.
Bovenal ontdek ik dat de bewoners van dit kleine wijkje, dat het meeste gevaar loopt omdat het dicht bij de bergen ligt en ook het allerarmst is, in oktober bedankt hebben voor de wapens die hun aangeboden werden. In welk verband werden die wapens aangeboden? Wat moest ertegenover staan? En aan welke verdwazing is de staat ten prooi gevallen dat zij nog steeds geen veiligheidskordon heeft gelegd rond een stadje waar je, nadat er drie bloedbaden hebben plaatsgevonden, toch kan vermoeden dat er nog wel eens een vierde zou kunnen komen. Een raadsel.
“Ze hebben ons te pakken gehad,” snikte de overlevende van de familie Chérif, met zijn hoofd op de schouder van een jonge, erg ontdane ambtenaar, “ze hebben ons te pakken gehad.” Verschrikkelijk klinken die woorden. Maar ze zijn evenzeer verontrustend. Alsof er met die 'ze' een verbond had bestaan dat die nacht werd verbroken, of al eerder...
Er loopt een directe weg van Larbâa naar Bentalha. Maar die is 'onbegaanbaar', zo leggen de soldaten die mij begeleiden me uit. En als ik er meer van wil weten: “De weg loopt door een bos, daar kunnen hinderlagen zijn, en derhalve is de weg onbegaanbaar.” Dus nemen wij de andere weg, die de mogelijkheid biedt een blik te werpen op de twee legerposten die in die historische nacht van 23 september 1997 [toen in Bentalha 200 mensen werden vermoord] ondanks het geschreeuw, de vlammen, het geluid van de blikken pannen waarop de vrouwen sloegen, niet in actie zijn gekomen.
De ene ligt in het open veld aan de rand van Baraki, rechts als je de stad uitkomt, omgeven door een hoge muur die op de dag van onze tocht opnieuw gewit werd; ik ben er niet eens zeker van (het is me niet gelukt er binnen te komen) of zich in deze verbindingspost, waar het belangrijkste deel van de zendapparatuur van de eerste militaire regio van Algiers staat, wel gevechtseenheden bevinden - een strategische plek, kortom, maar statisch. De tweede dan is een politiebureau in Bentalha, op anderhalve kilometer van de plaats van het bloedbad, die bemand wordt door dertig burgerwachten, herkenbaar aan hun marineblauwe uniform en op geen enkele wijze in staat tot serieus militair ingrijpen, oftewel een voorpost, maar achtergebleven.
Dat is nog geen excuus. En ik schiet voor open doel als ik zeg, tegen de ambtenaar die met mij meereist: “Het is de taak van een soldaat om, wat de omstandigheden ook mogen zijn, de burgers van zijn land te beschermen.” Hij op zijn beurt kopt 'm in door me te wijzen op het grote verschil tussen die twee legerposten en de 'kazernes' die de Europese media beschreven.
We komen aan in het westelijke, door boomgaarden omgeven gedeelte van Bentalha dat het doel van de aanslag is geweest. Lege huizen. Verlaten land. Geen buitenhangend wasgoed. Geen voertuigen op straat behalve een tractor die een elektriciteitsmast brengt naar het door boomgaard omgeven gebouw waar het leger een hoofdkwartier heeft gevestigd. Een rotte-lijkenlucht vooral, die er drie maanden na dato nog altijd is, plotseling, scherp - je hoeft de straat maar over te steken, onder het lint door waaraan belachelijke vlaggetjes wapperen in de kleuren van de Algerijnse vlag, of de stank omvat je, als een onzichtbare grens van de dood.
Wanneer je je thuis een voorstelling maakt van die massamoorden, zo bedenk ik me, dan zie je toch verwoeste wijken voor je, hele dorpen die met de grond gelijk zijn gemaakt, terwijl zeven, hooguit acht huizen - de rest is intact gebleven - al volstonden om dit hoogtepunt van horror te bereiken.
Natuurlijk, familieverbanden. Demografisch kenmerk van het land. Rond elke haard grote aantallen kroost, stamhouders en bloedverwanten. Maar ook - plotseling zie ik het helder voor ogen - het mysterie van een wreedheid die des te ondraaglijker is daar ze nu juist niet op een blinde afkomt: het zijn families die worden uitgeroeid, geen dorpen; de broederschap, het genos is het doelwit, niet de dorpsgemeenschap. En omdat het zich richt tegen de afkomst heet deze vorm van onmenselijkheid, letterlijk, 'genocide.'
Ik loop op de verwoeste huizen van Bentalha af, bekijk de overblijfselen van muren, twee of drie etages hoog opgemetseld. Op deze plek kost het weinig moeite zich het trieste spel van het nepotisme voor te stellen, en vervolgens dat van de bloedwraak. Met het oog op enkele families een hele wijk dwingen tot ontruiming? Misschien wel. Maar ook, en waarschijnlijker, dit: families die aan het FIS gelieerd waren en die, toen het front tussen 1988 en 1991 de absolute macht in de gemeente had, profiteerden van haar vrijgevigheid - en dan, op een dag, de baas van de familie, die er genoeg van heeft zijn tienden te betalen, of die beseft dat de wind draait en dat zijn loyaliteit riskant begint te worden, óf die aan het AIS (de militaire arm van het FIS) doneerde terwijl hij aan de GIA moest geven, of omgekeerd...
De theorie heb ik van G., een van de overlevenden van het bloedbad, die ervoor gekozen heeft niet te vertrekken en een groep op te richten van 'patriotten'[door de regering bewapende burgerwachten], samen met andere veteranen uit de onafhankelijkheidsoorlog. Ik heb 'm ook overgehouden aan een analyse van het 'geval Nassera', een moslimvrouw die aan de vooravond van de gebeurtenissen terugkwam naar haar buurtje om de huizen aan te wijzen die vernietigd moesten worden en die, tijdens de massacre, de vermoorde vrouwen van hun sieraden ontdeed; verwant aan de emir van Baraki, die volgens sommigen zelf betrokken is in obscure affaires met steekpenningen en ambtelijke fraude, lijkt zij de belichaming van deze maffia-achtige vorm van terrorisme.
In Bentalha probeer ik de route te reconstrueren die de moordenaars hebben gevolgd, die nacht. Het kogelgat in de muur van het huis van de familie Zafar. Het terras waar de familie haar toevlucht gezocht heeft. De ijzeren ladder die je op moet klauteren om het hoger gelegen terras van de buren te bereiken. De schoentjes van drie kinderen die de ladder niet op konden, ingehaald werden en daar ter plaatse de keel afgesneden.
De kamer van de astmatische zoon die ook de ladder niet haalde: “Ik stik” riep ie, “ik stik!” Dus moest ie daar maar met stokslagen ter dood gebracht worden, in z'n bed.
Het tweede terras dan, dat van de andere familie, nee, dezelfde, het was één grote familie verspreid over twee woningen, maar daar verzameld om te sterven op die betontegel, een grote groene plaat donker door oud bloed. Zesendertig aan stukken gesneden lichamen, over de balustrade gesmeten, de donkere druppels op de trap - dat is het bloed van de oude opa die zich verzette en die een paar bijlslagen kreeg uitgedeeld om hem bij de rest van de groep te drijven.
Dit was het mooiste terras van Bentalha, van hieraf had je het mooiste uitzicht en kon je, bij helder weer, Algiers zien liggen. In één klap veranderd in het decor van de ultieme nachtmerrie. De mensen als een groep beesten, het huis een abattoir.
Nog een plaats van massamoord: Raïs. Ook in La Mitidja, in dezelfde driehoek des doods. Al met al een klein gebied. Hooguit vijftien kilometer van hier naar Larbâa, tien naar Bentalha. Een soort verre buitenwijk van Algiers, die vroeger lange tijd als uitvalsbasis door de terroristen gebruikt werd. En op 29 augustus 1997, een donderdagavond, de avond voor de gebedsdag, komen de haloufs, sommigen te voet, anderen op een vrachtwagen, ze zijn gewapend met bijlen, hakmessen, ook met geweren met afgezaagde loop, karabijnen en zelfgemaakte molotov-cocktails; de aanvoerders zijn 'op z'n Afghaans' gekleed in het tuniek en de pofbroek van de oude mudjahedin. Zoals gewoonlijk worden zij vergezeld door vrouwen die hun de gedoemde huizen aanwijzen.[Er vielen die dag 349 doden in Raïs
Ook hebben zij - maar daar slaat misschien de folkloristische fantasie reeds op hol - erg lang haar, afgeschoren wenkbrauwen en één afgehakte vinger (die welke in principe bedoeld is om de Allerhoogste mee aan te roepen. Maar is het niet met Hem dat zij in oorlog zijn, is deze waanzinnige wreedheid niet, ook, een wijze van Hem vernederen?). Ze slachten en snijden in stukken, ze werpen twee baby's levend in de broodovens, tot deze dag de grootste slachting in het Algerijnse, driehonderd mannen, vrouwen en kinderen, wie biedt meer?
Drie getuigenissen over de details van de slachting, drie versies ervan. Die van een monteur die inmiddels het initiatief heeft genomen tot een burgerwacht in de buurt: “Ná het drama hebben we wapens gekregen maar dat had van tevoren gemoeten. Want, omdat het hier vroeger een thuisbasis voor de conservatieven was, is Raïs verdacht. En toen onze families van 't voorjaar erom zijn gaan vragen bij de gendarmes, hebben ze daar de papieren erbij gehaald, ze zijn inlichtingen gaan inwinnen en uiteindelijk zeiden ze: “Nee! We vertrouwen het niet, we gaan die mensen geen wapens geven, zij hebben contact met de baarddragers gehad, dat gaat te ver, we moeten ze straffen!” Het tegenovergestelde van Larbâa eigenlijk, en tevens het tegenovergestelde van Bentalha waar, naar ik ook te horen krijg, elf families wel wapens hebben ontvangen maar zonder dat 't hen heeft mogen baten...
Dit is het spel van de dood, het enige spel waarbij je altijd verliest: hoe trekt u het meest de aandacht van de moordenaars? Door wapens te eisen (Bentalha), door ze te weigeren (Larbâa) of door ze te eisen en te zien hoe ze je geweigerd worden (Raïs)?
Het verhaal van een andere overlevende, uit het huis dat als eerste aangevallen werd, aan de rand van het dorp, achter de school. Hij is restauranteigenaar. Zijn hals draagt de sporen van een mes en achterin de nek heeft hij een litteken van de bijl die hem op een haar na onthoofde. Hij vertelt van zijn kindje, doodgebloed. Van zijn vrouw die onder het bed vandaan werd gesleurd, samen met hun andere kind. Hij vertelt dat hij de emir heeft horen zeggen: “De volwassenen doden we om ze te straffen, de kinderen om ze te redden.” Hij herinnert zich dat de buren een feest gaven, die nacht, een trouwpartij. Het rook lekker naar gebraden schaap. De mensen maakten een gelukkige indruk. En onder hen bevonden zich, zo vertelt hij me - begrijp het goed! - vier van de mannen die enkele uren later de slachtpartij zouden uitvoeren. “Wie vermoordt wie? Ik weet dat die vraag wordt opgeworpen. Maar wij weten precies door wie we vermoord worden. We hebben ze gezien, de moordenaars. Jongens uit de buurt. Ik zeg u: eerder op de avond waren ze in ons midden.” De obsceniteit inderdaad van de vraag: wie vermoordt wie - alsof het nodig zou zijn de wanhoop, verwarring en verschrikking nog te vergroten.
En ten slotte de getuigenis van een officier van de lokale strijdkrachten, een ingenieur tot aan de gebeurtenissen. Waarom hebben de militairen niet ingegrepen in Raïs? Waarom doet het leger überhaupt zo weinig? “Ten eerste,” antwoordt hij, “is dat onjuist. Het leger intervenieert wel. In Ouled Allel en elders heeft het doeltreffende acties uitgevoerd. Maar het beslist zelf wanneer, en waar. Zoals alle legers ter wereld tracht zij het bloed van haar eigen soldaten te sparen.”
Soldatenbloed of burgerbloed, vraag ik hem. Hoe zit het met het bloed van de bevolking die u te hulp roept? En hij: “Noemt u mij een leger dat bereid zou zijn zijn bataljons eropuit te sturen, in het holst van de nacht, zonder duidelijk bevel van hogerhand, en zonder te weten of het alarm wel een echt alarm is en geen valstrik die voor haar opgezet wordt, of men niet, zoals in juni, in een hinderlaag zal lopen.” Maar dat is toch uw vak, dring ik aan. Is de taak van een leger, dat die naam waardig is, niet om in tijden van nood de bevolking te beschermen? Hij weer: “U moet de geschiedenis van dit leger begrijpen. Dit is een statische krijgsmacht zoals het Rode leger, die nooit met zichzelf uit de voeten heeft gekund, laat staan 's nachts, tegenover inboorlingen die het voordeel van de verrassing hebben en die ook het terrein goed kennen.
Het behoeft geen betoog dat een dergelijke redenatie onacceptabel is. Maar ik heb ook andere plaatselijke officieren gesproken. Allen heb ik diezelfde vraag gesteld over de passiviteit van de strijdkrachten. Iedere keer kreeg ik hetzelfde antwoord, de ene keer met als verklaring de 'cultuur' van het ALN [het leger], de andere keer de 'onbegrijpelijke' mobiliteit van de terroristen, of, nog een, de problemen die welk leger dan ook zou hebben om in een dergelijke situatie zijn 'uitrusting' aan te passen aan vereisten van een guerrilla-oorlog, die bovendien onophoudelijk van aard en plek verandert (terrorisme in stedelijk gebied, in buitenwijken en in dorpen, in afgelegen nederzettingen).
En als ik, alles in overweging nemende, mijn eigen gevoel zou moeten verwoorden, zou ik zeggen: incompetentie van de strijdkrachten, zonder twijfel, onverschilligheid, misschien. De achterliggende gedachte van sommigen dat het leven van een goed soldaat niet geofferd hoeft te worden voor dat van een boer die, gisteren nog, waarom niet, het FIS gesteund heeft.
VERVOLG OP PAGINA 18
Een tocht door Algerije VERVOLG VAN PAGINA 17
Maar een generale staf, of een 'clan' of zelfs een 'geheime dienst' die aanzet tot de slachtpartijen, de moordenaars van wapens voorziet of - het wordt beweerd! -die zijn mannen als fundamentalisten verkleedt, zie daar een hypothese waarin ik niet kan geloven.
Ten slotte het westen van het land. Deze reportage loopt ten einde op de vooravond van de ramadan, wanneer de vrees heerst dat het geweld zich hiernaartoe zal verplaatsen, naar déze andere driehoek des doods, tussen Tlemcen, Tiaret en Mascara. Oran nu. De Weg van Aïn Temouchent. Oude koloniale boerderijen, kasteel St.-Jean, de kelders van Paul Cambillard en Louis Féraud. “Het beste recept” staat er in het Frans en “Apotheek Fartas”. Aan de rand van Hassi Grela een christelijke begraafplaats, een eindje van de weg af. In 't kort, vrede van culturen en van harten. Openlijk vertoon van de goedheid des levens. Maar hoelang nog? Door welk wonder?
Het terrein wordt hier snel bergachtiger. De gezichten, overeenkomstig, dieper getekend.De mensen maken een afwezige indruk. Nerveus. Ze weten dat zij zich om en nabij de minst toegankelijke streken van het land bevinden. Ze weten ook dat als er één gebied is waar het leger weigert een voet te zetten, het in deze bergdorpjes in het achterland is. Tot aan Béni-Saf, mijn geboorteplaats - Rue Karl Marx nummer 1, de straat heeft nog altijd dezelfde naam! -, waar een onverklaarbare vooroorlogse sfeer heerst, hoe moet ik het zeggen, als van een ridderwake.
Geen problemen gehad, meneer de burgemeester? Geen terrorisme in Béni-Saf? Zie de begraafplaats, aan de entree van uw stadje: bewaakt als een fort, zandzakken, uitkijkposten, om de zes uur aflossing van de wacht. Op de terugweg, een berichtje in de 'Liberté', de krant van de Outoudert Abrous, waarin gemeld wordt dat een slachting heeft plaatsgevonden in El Badj, vlakbij Tlemcen. Daar wil ik heen.
Er ontspint zich een klein psychodrama waaraan de onbeholpenheid van de Algerijnse bureaucratie zich goed laat illustreren. Ik ben dus op mijn schreden teruggekeerd. Welnu, aangekomen bij de grens van de twee provinciës - de ene van Aïn Temouchent waar ik vandaan ben gekomen, de andere die van Temcen, waar ik heen wil - zie ik geen spoor van de gendarmes die geacht worden mij te vergezellen. De soldaten zullen helemaal niet komen, weet men mij te vertellen. Want Tlemcen staat niet 'op het programma'. En omdat Tlemcen niet 'op het programma' staat, wordt u dringend verzocht terug te keren naar waar u vandaan komt. Ik protesteer. Ik wijs erop dat het juist deze manier van doen is die de internationale pers doet schrijven dat Algerije de waarheid omtrent de massamoorden verborgen houdt. Niets helpt. Ik gehoorzaam.
Wie schetst mijn verbazing wanneer, een kwartier later, op de terugweg naar Oran, een politieauto in de achteruitkijkspiegel verschijnt, ons inhaalt en ons in de berm drukt. Mijn verzoek om 'wijziging van het programma' is uiteindelijk 'op het hoogste niveau' in overweging genomen. Ik kan niet meer vooruit (vanwege het risico dat mijn verzoek wordt ingewilligd), noch achteruit (want ingewilligd is het niet, vooralsnog). Uren gaan voorbij. Eindelijk komt het officiële antwoord. De gendarmerie is onverbiddelijk. Maar het ministerie van Binnenlandse Zaken is gezwicht. Ik mag, als ik per se wil, maar zonder escorte, naar Tlemcen en van daar uit naar de plaats des onheils.
Maar, eenmaal in Tlemcen, nieuwe tegenspoed. Weer een wegversperring, weer palaveren. Ook de weg naar El Badj is volstrekt 'onbegaanbaar'. Ik word uitgenodigd om de hagelwitte villa's te bezichtigen, de magnifieke koubbas [mohammedaanse grafmonumenten], de bloemenpracht van 'de gemeente Sidi Daoudi'.
Later zal ik terugkeren in Tlemcen, in het gezelschap van een Algerijnse journalist. Ik zal ontdekken dat 'onbegaanbaar' in dit geval betekende 'in onderhoud'. Ik zal te weten komen dat de getroffen nederzetting niet El Badj heette, zoals in alle kranten stond (inclusief de 'Liberté, een van de beste Algerijnse dagbladen), maar El Bordj. En dat het niet, zoals eveneens door alle kranten beweerd, vijf kilometer van Tlemcen af ligt maar vijfendertig, diep in de streek van Chittouane. En bovenal zal ik me bij die gelegenheid een idee vormen van dit soort nederzettingen: vijftien families ver van de bewoonde wereld en door de bewoonde wereld genegeerd. De huizen over drie heuvels verspreid zonder tussenliggende wegen of een weg naar Chittouane. En geen telefoon uiteraard, geen contact met de buitenwereld, en in geval van nood, geen enkele mogelijkheid om alarm te slaan.
Het heil van de geïsoleerde nederzettingen waarop tien tegen één de moordenaars zich de volgende keer zullen richten, komt niet meer vanuit het leger. Het komt uit de geweren, uit een cultuur van zelfverdediging en, zoals in Kabylie, uit de oprichting van 'patriottistische bewegingen'. Ik ben in Kabylie geweest. Ik ben omhoog geklauterd naar die arendsnesten zoals Igoujdal en Aït Chafaa, die erin geslaagd zijn het gevaar te verdrijven, door niet de wegen van het kwaad op te gaan en vooral, door terug te slaan. Daar heb ik prijzenswaardige mannen gezien, veelal veteranen uit de onafhankelijkheidsoorlog, die de oude wapens uit het vet hebben gehaald en hun reflexen van weleer hebben teruggevonden. Dat het bewapenen van de burgerbevolking gevaren met zich meebrengt, staat wel vast. Dat de wederopstanding van de zelfverdediging altijd duidt op een nederlaag van de staat, eveneens. Maar de Kabylieten hadden geen keuze. De boeren in West-Algerije waarschijnlijk evenmin. In de woorden van de aanvoerder van de patriotten in Igoujdal: “Wanneer de terroristen alles van je willen afpakken, ook je eer, en de gendarmes je, trillend van angst in de kazerne van Azzeffoun, in de steek laten, hoef je niet meer te aarzelen: je moet de wapens opnemen of sterven.”
In de tussenliggende tijd heb ik mij naar Arzew begeven, Daar waar de zes gaspijpleidingen van het land boven de grond komen om hun inhoud te verdelen over de tankers van Sonatrarch [het Algerijnse staatsbedrijf voor olie en gas]. Dat is het andere Algerije. Het profijtelijke Algerije. Een Algerije dat, terwijl ergens in de bergen de nederzettingen in vlammen opgaan, slechts droomt van de vlam uit de schoorsteen van de raffinaderij. De oorlog, onbekend. El Bordj, wat is dat? Dit Algerije kent alleen de moordende concurrentie, de strijd om de kubieke meters en de beste prestaties. Ook dit Algerije wilde ik zien. Aanvankelijk omdat het ook een deel uitmaakt van het land. Later omdat het veel minder losstaat van dat andere Algerije dan het op het eerste gezicht leek.
De leiding van de onderneming stelt haar deuren voor mij open, die middag. Aan een hoefijzervormige tafel in een vergaderzaal in een van de dorpen voor buitenlandse werknemers vertelt men mij over gasreserves en chemische processen. De omzet per jaar en de deviezen die dat oplevert voor de Algerijnse economie, de geheimen van de heliumsynthese. Deze kerels zijn trots op hun bedrijf. En gelijk hebben ze. Maar er is slechts één vraag die ik wil stellen, terwijl ze mij hun heroïsche verhalen vertellen: het terrorisme, hoe hebben ze dat buiten de deur weten te houden?
Officieel houdt men zich met deze vraag niet bezig. En volgens de heren heeft het gebied nooit, maar dan ook nooit, te lijden gehad van het fundamentalisme. Onzin natuurlijk. Het is officieus bekend dat er de afgelopen vijf jaar aanslagen zijn gepleegd op de pijpleidingen, dat er auto's gestolen zijn en elektriciteitsdraden doorgesneden in Gassi Touil of In Salah. Ook is het bekend - ik heb het van een kaderlid van Sonatrach die ik toevallig tegenkwam in het vliegtuig van Oran naar Algiers - dat er eind jaren tachtig een islamitische campagne is gevoerd voor de noodzakelijke herverdeling onder het volk van de door de oligarchie gehamsterde nationale rijkdommen. En uit dezelfde bron weet ik dat die campagne geleid heeft tot een harde staking, die echter niet minder hard de kop is ingedrukt. De oproerkraaiers werden onschadelijk gemaakt, collectieve ontslagen werden in stilte uitgevoerd, families gechanteerd. De werkwilligen kregen premies in natura (vakantiedagen, reisjes naar het buitenland). Enfin, wat betreft de veiligheid van de installaties, heb ik, toen ik er rondliep onder begeleiding van de plaatselijke 'Meneer Veiligheid', gezien hoe extreem geavanceerd het geheel is.
Om te beginnen stuit je, wanneer je Arzew nadert, op militaire versperringen. De eerste werkelijk serieuze die ik in Algerije ben tegengekomen. Het zijn hoge muren met prikkeldraad langs de belangrijkste toegangsweg. Dan een tweede omheining, hermetisch gesloten, die rondom het industriegebied een eerste veiligheidszone afsluit. Binnen deze eerste ring vervolgens elf aparte veiligheidszones, voor ieder 'complex' een. Voor en achter deze muren, zowel van de buitenste ringen als van die daarbinnen, elitetroepen van het leger maar ook van particuliere bewakingsdiensten die dag en nacht patrouilleren.
Het ziet eruit als allemaal kleine dorpjes, elk onder strenge bewaking, waar de 'expats' hun zwembaden hebben, hun tennisbanen en hun huizen. En tussen alles door, op vrijwel elke hoek van de straat een wateraansluiting, een brandblusapparaat, en brandweerauto's klaar om uit te rukken. En op de kades, ter bescherming van de aanlegsteigers, nog meer muren, nog meer patrouilles. En voor het geval de vijand over zee zou komen, een spionage-satelliet, gehuurd van de Amerikanen, die in staat is elk bewegend object van meer dan twee meter grootte waar te nemen. En, niet in de laatste plaats, de diensten van razendsnelle informaticajongens, merendeels buitenlanders, die in twee zalen vol beeldschermen, de minste of geringste beweging direct melden, hetzij op de grond, in de lucht of in het water.
'Meneer Veiligheid' is er dan ook trots op. En ik geef 'm geen ongelijk. Want al zes jaar slaagt hij erin, op enkele schermutselingen na, deze reuze-schietschijf, deze droom voor de fundamentalisten, deze staatsbank en staatslong die Arzew is, te vrijwaren van geweld. Maar nu de hamvraag weer. Ik stel hem, terug in Algiers, aan een vertegenwoordiger van de RND, de regerende partij. Die argumenteert, niet zonder reden, dat, hoe breekbaar de persvrijheid en het recht van manifestatie hier ook zijn, zie de embryonale staat van de democratische organen, dit tot nader bericht het beste is wat de Arabische moslim-wereld te bieden heeft.
Als uw regering het wil, zeg ik hem, dan gebeurt het. Als de regering besluit de fakkels van Arzew of die in de Sahara, van de buitenwereld af te sluiten, neemt ze daartoe de maatregelen en het gebeurt. Waarom voor de bevolking niet hetzelfde gedaan als voor de fakkels van de raffinaderijen? Die vakkennis die ik gezien heb, dat meesterschap van militaire technieken waarvan ik vanuit mijn situatie de effecten heb kunnen ondervinden, waarom kan die niet worden gebruikt om een veiligheidscordon te leggen rond de gemartelde dorpen in La Mitidja of rond de dorpen in het Westen die nog op hun beurt wachten. Dat is de enige vraag waar het om gaat. De ware uitdaging die deze staat moet aangaan. Algerije zal definitief de richting van de democratie opgaan op de dag - maar ook geen moment eerder - dat zij tegen de wereld kan zeggen: we maken geen verschil meer tussen 'profijtelijke' en onprofijtelijke plaatsen, of levens of slachtoffers. Het lot van een boer uit Relizane is minstens even belangrijk als de apparatuur van de olieboorders.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.