*

 
dossier

Archief

Norrington blijft met Brahms onder Concertgebouw-ideaal

FRANZ STRAATMAN − 23/05/95, 00:00

AMSTERDAM - Vijf contrabassen stonden dominant midden achter de London Classical Players. In totaal zestig musici vormden het laat-negentiende eeuwse orkest met tijdeigen instrumenten dat zondag de derde en vierde symfonie van Brahms in het Amsterdams Concertgebouw speelde.

Dirigent Roger Norrington had naar toentertijdse gewoonte de eerste en twee violen ter linker- en rechterzijde van zijn roodpluchen dirigeermatje geplaatst. Interessant was dit optreden omdat hier een formatie zat zoals die speelde in de Amsterdamse zaal vanaf 1888: het Concertgebouworkest van toen.

Dat deze uit Engeland afkomstige remake zich presenteerde in de serie 'Zes Barokorkesten' bracht Norrington er toe om het publiek na de pauze uitleg te geven over de instrumenten: technisch naar de stand van zaken rond 1870/80. Indien het Concertgebouw n.v. voortgaat met programma's van symfonische muziek van na 1830/50 door dit type orkesten, dan moet er een eigen kader voor worden geschapen. Misschien is de titel 'Meininger Serie' bruikbaar. In november 1885 gaf het hoforkest van de hertog van Saksen-Meiningen, een topensemble van toen, in Amsterdam drie concerten met een selectie van Beethoven tot Brahms. De derde symfonie werd door chef Hans von Bülow gespeeld, de vierde (spiksplinternieuwe) symfonie onder leiding van de componist.

Het Meininger Orkest speelde in de Stadsschouwburg. De Meiningers porden de wil van Amsterdamse notabelen op om de stad zowel aan een waardige concertzaal als aan een eersteklas orkest te helpen.

De sensatie van toen vertaalde zich niet in de London Classical Players. Wíj hèbben een fantastisch Concertgebouworkest dat ik 's middags weergaloos de eerste symfonie (1885/88) van Mahler hoorde geven. Weergaloos in de visie op de compositie, de balancering van de klank, en van de spelkwaliteit. Dat was bij de remake allemaal minder.

Norrington bleek geen Von Bülow, Mengelberg, noch Chailly; mogelijk een Kes (eerste chef Concertgebouworkest) of Viotta (leidde het eerste concert in het gebouw). Goed maar niet bijzonder was de realisatie van Brahms' ritmen, of de ontwikkeling van een hechte strijkersklank, niet goed de verhouding tussen strijkers en de schetterende hoorn-groep. Wèl erg mooi klonken de houten fluiten zoals nog in het Concertgebouworkest gebruikt; fraai de basgroep van contrabassen en fagotten. Uitbundig werd het vierde deel van de vierde symfonie gespeeld met het statig-stuwende passacaglia-thema. Maar de winst van tijdeigen Brahms/Mahler-instrumenten werd niet waargemaakt in verrassende uitvoeringen.

mailIcon print |