*

 
dossier

Archief

Ondernemen niet ten koste van alles

DR. A. KOUWENHOVEN − 27/01/95, 00:00

De auteur is oud-docent sociale ethiek aan de economische faculteit van de Vrije Universiteit en lid van de sectie sociale vragen van de Raad van Kerken.

Nederland moet meer ondernemend worden, is de rode draad van de brochure. Ondernemen houdt in het zoeken naar vernieuwing, overal en op alle niveaus. Het kan gaan om fundamentele innovaties, maar meestal betreft het nieuwe toepassingen van bestaande technologie. Dat streven naar een ondernemende samenleving is broodnodig, want - aldus de discussienota - er is in ons land sprake van een structureel lijkende werkloosheid. Groei van werkgelegenheid lijkt alleen nog maar te kunnen worden verwacht bij kleine en middelgrote bedrijven. Grote multinationale ondernemingen opereren op wereldmarkten en krijgen aldaar te maken met verscherpte concurrentie. Markten globaliseren; Europa verliest terrein.

Cijfers tonen aan, dat de concurrentiekracht van Europa tussen 1972 en 1992 is afgenomen en dat het EU-aandeel in de wereldhandel in die periode zich ongunstig heeft ontwikkeld ten opzichte van dat van de VS en Japan. Daarbij komen nog de sterk opkomende lage-lonen-landen in Oost-Europa en in Zuid-Oost-Aziƫ.

De arbeidskosten per eenheid produkt, alsmede de totale loonkosten zijn hier hoger dan in de VS en in Japan; de gewerkte uren zijn minder; er is een geringe arbeidsparticipatie; het aantal technische studenten per 100 000 inwoners is het laagst.

Alhoewel de onderhavige brochure niet meer wil zijn dan een discussienota, is haar boodschap toch duidelijk: Europa en Nederland zulen zich anders moeten gaan toerusten om de concurrentiestrijd succesvol te doorstaan. Nederland zal zijn economische positie op de wereldmarkten aanzienlijk moeten versterken. Door produktie-innovaties, maar ook door de kosten van arbeid te verlagen, door de rigiditeiten op de arbeidsmarkt te verminderen en aanpassingen in het stelsel van sociale zekerheid door te voeren.

Economische groei alleen is niet voldoende om de werkloosheid terug te dringen. De groei zou veel arbeidsintensiever moeten zijn. Het Rijnlandse model van de vrije markteconomie in de classificatie van Michel Albert, zou aanpassing behoeven, want het dreigt onder zijn gewicht te bezwijken. Het zou zich meer moeten ontwikkelen in de richting van het neo-Amerikaanse model.

Vervolgens gaat de nota inventariserend in op verschillende instrumenten voor een structurele versterking van onze economie, zoals verbetering van de kwaliteit van onderwijs en opleiding, selectieve toepassing van de algemeen-verbindendverklaring van de CAO's, matiging van lonen en lasten op arbeid, afschaffing van het minimumloon en de mogelijke invoering van het basisinkomen.

Milton Friedman

Ook wordt een pleidooi gevoerd voor maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemers. Ondernemers moeten rekening houden met veel - vaak uiteenlopende - belangen. Het behoort tot hun maatschappelijke verantwoordelijkheid om daarmee zorgvuldig om te gaan. Deze zorgplicht is uitgewerkt in wet- en regelgeving, maar ook in vrijwillige afspraken. Gezocht zal moeten worden naar nieuwe vormen van ordening, bv. door gedragscodes in het kader van de mededinging die normen aangeven voor 'eerlijke concurrentie'. Negatief houdt dit in het achterwege blijven van ongeoorloofde handelingen, dat zijn handelingen die je volgens die normen niet kunt 'maken', alhoewel de wet je dat niet - of nog niet - verbiedt.

Echter, maatschappelijke verantwoordelijkheid zou volgens de discussienota begrensd moeten worden door economische mogelijkheden. Praktisch zonder kritiek wordt een citaat uit Milton Friedman overgenomen: De enige verantwoordelijkheid van de onderneming jegens de maatschappij is te streven naar een zo hoog mogelijke winst.

Een kritisch commentaar daarop wordt in de nota helaas gemist. Want naast dit enge standpunt ten aanzien van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de ondernemers is ook een ruimer denkbaar. Volgens dit ruimere standpunt gaat de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemers verder dan het maken van winst en het verzekeren van de continuïteit van de onderneming. Daarnaast hebben zij de zorg voor goede werkomstandigheden van de werknemers en de veiligheid en gezondheid van de afnemers, ook als die verplichtingen ten koste gaan van de ondernemingsrendementen.

Wel wordt in de nota, zij het slechts in een voetnoot, opgemerkt dat inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid ook andere visies mogelijk zijn. Onder maatschappelijk ondernemerschap kan ook ondernemerschap worden verstaan dat puur gericht is op maatschappelijke doelen (bijvoorbeeld zorgverlening). Dan wordt een tegenstelling gecreƫerd met commercieel ondernemerschap. In de NCW-visie is een dergelijke tegenstelling echter ongewenst.

Voor zover is nagegaan is dit de enige maal, dat in de brochure van een 'eigen visie' wordt gesproken, alhoewel bij de voorkeur voor concurrentie-versterking en produkt-innovatie boven maatschappelijke verantwoordelijkheid en sociale bescherming, de samensteller van de nota wel degelijk een eigen standpunt inneemt. Daarbij slaat de balans duidelijk door naar de eerstgenoemde doelstellingen, getuige ook de erin voorgestane wending van het Rijnlandse in de richting van het neo-Amerikaanse model.

mailIcon print |