Het rapport dat de Nederlandse vereniging voor vrijwillige euthanasie vorige week naar buiten bracht, suggereert dat het eerder regel dan uitzondering is, dat artsen na een eerste toezegging ('Wees gerust, als het zover is zal ik u helpen') ten slotte terugdeinzen voor een verzoek om een zachte dood. Dat gebeurde ook met mevrouw Jager uit Arnhem.
“Ze is haar hele leven een stille, misschien in zichzelf gekeerde vrouw geweest”, vertelt haar dochter Yvonne (41). “Ze hield haar emoties, zoals zo velen van haar generatie, voor zich. Het was iemand van 'Doorlopen, niet zeuren'. Maar over één ding was ze helder. Moeder zei altijd: 'Als ik zo ziek ben, dat ik niet meer voor mezelf kan zorgen, dan wil ik sterven. Ik wil niet het verpleeghuis in.' Dat stond voor haar vast.”
Mevrouw Jager had daarom via de Nederlandse Vereniging voor vrijwillige euthanasie een 'euthanasiepas' geregeld. Aanleiding was het overlijden van een oom, die doodziek in het ziekenhuis lag. Zijn wens om te sterven ketste af op het ontbreken van een euthanasieverklaring. “Moeder zei altijd: 'Dat moet mij niet gebeuren' ”, zegt Yvonne Jager.
Ze laat haar moeders euthanasiepas uit 1989 zien: een groen papiertje met de pasfoto van een pittig uit de ogen kijkende dame. De verklaring werd nog bevestigd in 1992 en 1994.
“De huisarts deed een afschrift in zijn dossier en beloofde er naar te zullen handelen, mocht het ooit zover komen. Ook de familie had afschriften en er was uitvoerig over gepraat. Daarom wisten we allemaal, dat het niet zomaar een opwelling was, toen moeders sterven in zicht kwam.”
“Moeder wilde niet afhankelijk zijn. Ze was 77 jaar, toen ze overleed. Vader is iets ouder en hij kon de zorg voor haar echt niet aan. Dat bleek al toen moeder een blaascarcinoom kreeg en moest worden gecatheteriseerd. Ze werd bestraald en kreeg een stoma. Dat ging een hele tijd goed, maar begin 1994 merkten we dat ze achteruitging.”
Mevrouw Jagers geheugen begon gaten te vertonen. Er waren verontrustende voorvallen. “Ze verbrandde haar handen, toen ze een ei wilde bakken en de boter met haar vingers in de pan smeerde. Ze wilde een kast in de was zetten en smeerde het behang in met boenwas. De neuroloog stelde vast, dat moeder een hersentumor had.”
Bestraling wilde ze niet meer. “Dat had ook weinig uitgehaald. De gebeurtenissen volgden elkaar toen in steeds sneller tempo op. Op 1 april 1994 viel de diagnose, na verloop van een maand was ze haar spraak kwijt en lopen kon ze toen ook niet meer.”
De familie Jager overlegde met de huisarts. “Eigenlijk wilden we haar thuishouden, maar dat kon niet meer, gezien de ouderdom van vader. De feiten haalden ons steeds in. Zodra de dagopvang geregeld was, moest moeder al voor 24 uur naar het verpleeghuis. Toen ze een looprekje kreeg, was ze al aan de rolstoel toe.”
Er werd gesproken over de euthanasie-pas uit 1989. “Die herinnerde de dokter zich nog goed. Maar hij vond nu, dat sterven op een natuurlijke wijze het mooiste was. Alsof al die medische technologie aan moeders bed zo natuurlijk was. Het probleem was verder, dat hij niet wist welk euthanasiebeleid er in de verpleeghuizen in en rond Arnhem werd gevoerd.”
Veel keus had de familie niet. Mevrouw De Jager kwam in een protestants-christelijk verpleeghuis terecht, waarvan de directrice bij het doornemen van het dossier enorm schrok van de euthanasieverklaring. 'Euthanasie is geen beleid in ons verpleeghuis', meldde de directrice de familie in een gesprek. Yvonne Jager: “Ze was nogal boos, want ze meende dat wij die wens voor haar hadden verzwegen.”
“Toen wij de huisarts om opheldering vroegen, zei deze dat hij door tijdgebrek verzuimd had naar het euthanasiebeleid te informeren, voordat moeder in dat verpleeghuis kwam. Ikzelf vond dat nogal raar, want de dokter werkte al tien jaar in Arnhem. Volgens mij was hij op dat punt aan nascholing toe.”
Mevrouw Jager knapte in het verpleeghuis weer wat op. Ze begon weer te spreken en kon weer zelf eten. Haar dochter bezocht haar in de mooie zomer van 1994 vaak. Dan wandelde ze met haar buiten. Moeder in de rolstoel, Yvonne erachter.
“Dat verlangen naar euthanasie liet moeder niet los, ze zei dat ook steeds. En wij bleven er ook achter staan. Als ik haar weer achterliet, huilde moeder dikwijls. Van het verpleeghuis uit kreeg ik te horen dat ik maar minder moest komen, omdat ik moeder van streek zou maken. Ik zei dat moeder verdriet had, omdat haar wens niet in vervulling ging, terwijl ze er toch tijdig alles aan gedaan had.”
“Ten slotte eiste de arts van het verpleeghuis, dat moeder haar verlangen opnieuw zou bevestigen: wat op papier stond was niet goed genoeg. Samen met haar en een arts uit een ander verpleeghuis hield ik moeder de euthanasiepas voor. Ik vroeg haar of dat haar pas was. Ze knikte ja. 'Weet je nog, dat je wilde sterven, als je heel ziek was en nog zieker zou worden?', vroeg ik. Weer knikte ze duidelijk.”
“Maar voor het verpleeghuis was het niet voldoende, zelfs niet toen het ritueel zich herhaalde. 'We kunnen er nu niets meer uit krijgen', zei de directrice na een tijdje. Dat kan ook wel waar zijn, want moeder was soms niet helder meer. Aan de directrice vroeg ik hoe vaak zij de bevestiging van de euthanasieverklaring wilde: tien keer misschien? 'Ja', zei ze. Nou ja, dat was in deze situatie onmogelijk.”
De familie besloot uiteindelijk om de zwaar zieke moeder naar een ander verpleeghuis te laten verhuizen.
“Vader heeft die overplaatsing inderdaad gevraagd. We waren ten einde raad. Ik liep de specialisten af die moeder hadden behandeld. De uroloog kon niets doen, omdat moeder onder het regime van het verpleeghuis viel. Ook hij zag niet veel in euthanasie. Dat kon ik respecteren. Hij zei: 'Als ik euthanasie toepas, voel ik me net een dierenarts, maar we zijn voor de dieren soms menselijker dan voor de mensen.' Hij zei dat ik zo vaak terug mocht komen als ik wilde. En dat is inderdaad enkele malen gebeurd. Dan had hij tijd voor mij. De neuroloog zei dat het niet zijn levensfilosofie was. Bovendien wees hij op de strafbaarheid.”
“Intussen deed het verpleeghuis wel alles om moeders lijden te verlichten. De zorg was prima. Ze kreeg morfine, maar als ik kwam en ging, huilde moeder nog steeds. Het was niet om aan te zien. Ze werd op het laatst steeds blauwer, doordat ze geen zuurstof meer kreeg.”
“Ik kreeg de overtuiging dat ik moeder had verraden. Waarom moeten mensen toch zo onwaardig sterven, vroeg ik mijzelf af. Had ik de beschikking over de middelen gehad, dan had ik haar dat spuitje wel willen geven, ook al zou ik dan in de gevangenis zijn terechtgekomen. Langzaam krepeerde ze weg. Waarom doe je iemand zoiets aan, die zich niet meer kan uiten. Alsof die morfine zo natuurlijk is.”
Achteraf, denkt dochter Yvonne, heeft mevrouw Jager na die moeizame vijf maanden in het verpleeghuis ten slotte haar eigen euthanasie 'geregeld'. “Ze stopte met eten en drinken. Ze wist heel goed dat dat haar einde zou betekenen.”
In augustus 1994 overleed mevrouw Jager, nog voordat ze naar een tweede verpleeghuis gebracht kon worden. Kort na het overlijden van haar moeder schreef Yvonne Jager hoofdinspecteur voor de volksgezondheid Verhoeff over 'het verraad' aan haar moeder en over de door hem uitgesproken plicht van artsen tot verwijzen, indien ze zelf een euthanasie niet kunnen volbrengen.
Verhoeff verwees haar terug naar de regionale inspectie. Weer schreef Yvonne Jager een brief. Ze leest voor: “Laten we wel zijn. Als we het over euthanasie hebben, is dat niet de euthanasie zoals die soms in de media wordt geschilderd. Bij de gevallen die ik ken van kennissen gaat het in het algemeen over mensen die ongeneeslijk ziek zijn, zwaar lijden en bij wie geen hulp meer mogelijk is. Alle betrokken artsen bevestigden dat beeld ook bij moeder: 'onomkeerbaar met een sterven binnen afzienbare termijn'. Ik vind dat de medische wereld enorm gefaald heeft om niet haar moment van sterven te hebben willen respecteren.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.