Het behoort tot één van de verworvenheden van de verzorgingsstaat dat alle Nederlanders voor hun oudedagsvoorziening tenminste kunnen rekenen op een wettelijk geregeld AOW-pensioen. De overheid stelt zich voor deze voorziening garant, onder meer door werkenden te verplichten de benodigde AOW-premies op te brengen. Diezelfde overheid speelt echter ook een belangrijke rol bij de instandhouding van twee andere pijlers onder de oudedagsvoorziening, namelijk die van de aanvullende pensioenen en die van het lijfrenteregime.
Vraag: behoort het eigenlijk wel tot de taak van de overheid die laatste twee pijlers met behulp van belastingfaciliteiten mee in stand te houden en daarmee in te grijpen in de bestedingsvrijheid van de burger? Is dat niet een zaak die de overheid met een gerust hart aan burgers en bedrijfsleven zelf kan overlaten? Die vraag knelt omdat de tweede pijler, die van het aanvullende pensioen, zich zo ontwikkeld heeft dat de meeste werknemers thans kunnen rekenen op een pensioen tot zeventig procent van het laatst verdiende loon, het zogenaamde eindloon-systeem.
Dat zou je een verworvenheid kunnen noemen- en dat is het ook - ware het niet dat in deze tijden van zoveel grotere flexibiliteit en individuele vrijheid ook de nadelen van deze pensioenopbouw meer op de voorgrond zijn komen te staan. Het draagt bij aan verstarring van het loongebouw en zet vaak een domper op de gewenste flexibiliteit. Want wie durft vlak voor zijn pensioen een stapje terug te doen?
Zo bezien is het een goede zaak dat het kabinet dezer dagen zijn kaarten heeft gezet op het 'middelloonsysteem', dat iemand aanspraak geeft op zeventig procent van het gemiddelde gedurende zijn loopbaan verdiende inkomen. Dat schept een grotere vrijheid en flexibilteit, zonder dat de verworvenheden van de 'gemiddelde' werknemer worden aangetast.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.