Het voorstel van staatssecretaris Schmitz om buitenlanders na zes jaar 'wit' werken een verblijfsvergunning te geven, heeft de politieke discussie over illegalen weer doen oplaaien. Wie zijn 'die illegalen'? Waarom kwamen ze hier? Hoe houden ze zich staande? En: hoe denken ze zelf over het strengere vreemdelingenbeleid? Vandaag: David, gelukzoeker uit Bolivia. Dit is het laatste artikel over illegalen. Eerdere portretten verschenen op 25 en 26 januari.
Toen hij zijn kinderen Javier (11) en Alfonso (7) vertelde dat zij naar Bolivia zullen terugkeren, reageerde de jongste met: “Leuk!” Maar de oudste begon aan een dagboek, waarin hij zijn angst om terug te gaan beschrijft. David: “Ze hebben het hier allebei erg naar de zin. Maar Javier herinnert zich voldoende van Bolivia om te begrijpen, dat hij het hier beter heeft. In La Paz kon hij niet op zwemles, niet naar de bibliotheek en stonden er op school geen computers. Dat wil hij allemaal niet missen. Hij is ook bang dat hij zo veel Spaans heeft verloren dat hij straks, op school in La Paz, niet meer mee kan.”
David en Antonia (33) hebben gegokt en verloren. Ze kwamen in Bolivia niet om van de honger - David was bedrijfsleider van zes winkels -, maar een vetpot was het ook niet. Tijdens vakanties in Amerika en Nederland, waar twee van zijn zusters wonen, zag David hoe hun bestaan in korte tijd was verbeterd. 'Ik ga ook uit Bolivia weg, hier verdoe ik mijn tijd', dacht David.
Nadat hij vergeefs zijn geluk had beproefd in Amerika, kwam hij op uitnodiging van zijn andere zuster - die getrouwd is met een erkend politiek vluchteling - in januari 1991 naar Amsterdam. David vond werk in een Mexicaans restaurant en liet in oktober zijn gezin overkomen.
In 1992 ging het mis. Het restaurant werd opgedoekt en David verloor zijn baan. Sindsdien komt het echtpaar via baantjes bij particulieren aan de kost. Antonia is werkster en David klust hier en daar bij. Via de Pinkstergemeente wonen ze nu een half jaar gratis in bij een alleenstaande vrouw.
Antonia vertrekt liever vandaag dan morgen. “Ik ben met een hele hoop illusies naar Nederland gekomen. Een beter leven, geld, een eigen huis. Maar er is niets van terechtgekomen. David heeft geen geregeld werk, en we moeten om de haverklap verhuizen. Voor de kinderen is het wel beter hier. Dat maakt het moeilijker terug te keren.”
Sinds haar komst naar Nederland is het bergafwaarts gegaan met Antonia's gezondheid. “Met de kinderen heb ik geen problemen, maar ik krijg om het minste of geringste woede-aanvallen of huilenbuien. Ik slaap slecht en vanwege de stress heb ik voortdurend pijn aan mijn schouders. Mijn grootste angst is dat de politie me betrapt en mijn kinderen meeneemt.”
David: “Antonia kan de problemen niet relativeren. Soms ben ik bang dat ze gek wordt. Het heeft ook onze relatie beïnvloed. In Bolivia was zij een goede vrouw, hier niet. Ze kan maar niet begrijpen hoe ik het gezin in deze situatie heb kunnen brengen. Ik ben bezorgd, de hele tijd, om haar gezondheid, haar verdriet. Soms voel ik me schuldig tegenover haar. Niet tegenover de kinderen, die zijn gelukkig hier.”
Javier en Alfonso hebben van hun ouders geleerd altijd op hun hoede te zijn. David: “Ze moeten geen verkeerde dingen doen, heb ik gezegd, anders komt de politie hier aan huis. En ze mogen nooit, tegenover niemand, over hun verblijf hier praten. Javier heb ik uitdrukkelijk gevraagd goed op zijn broertje te letten, opdat hij niet verdwaalt en bij de politie terechtkomt.”
Vooral Javier beseft heel goed dat hij anders is dan zijn legale klasgenootjes. David: “Een keer vroeg de meester op school aan de kinderen of ze verzekerd waren tegen ziektekosten. Javier herinnerde toen een voorval bij ons thuis. Javier had zijn lip flink gestoten en Antionia en ik vroegen ons hardop af of we gevaar liepen als we naar het ziekenhuis zouden gaan. Het kwam allemaal goed, maar Javier begreep - toen de meester naar ziekenfondspapieren vroeg - dat hij niet zomaar kon antwoorden. Dus zei hij: 'Misschien is het beter dat mijn vader komt, dan kan hij alles vertellen wat u wilt weten'.”
Een half jaar geleden besloten David en Antonia weer naar huis te gaan. Sindsdien slaapt ook David slecht en schrikt hij regelmatig wakker. “Dan lig ik te piekeren. Soms heb ik het gevoel dat ik me in de woestijn bevind. Rechtdoor lopen naar de overkant kan niet meer, die hoop heb ik opgegeven. Maar terug naar Bolivia . . . wie zegt dat dat het juiste besluit is? Misschien kom ik er daar achter dat ik nog steeds in de woestijn zit.”
David heeft geen spijt van alle omzwervingen. “Ik heb veel ervaring opgedaan en me nooit in dubieuze zaken begeven. Maar ik heb natuurlijk wel tijd verloren.” Dat hij door het strenge vreemdelingenbeleid niet in Nederland mag blijven, vindt David niet eerlijk. “Ik word boos als ik zie dat anderen, die hier legaal zijn, moeilijkheden maken. Ik ben netjes, denk ik dan, ik wil hard werken, voor mijn gezin, en dat mag niet.”
David: “We sparen nu geld om straks in Bolivia een nieuwe start te maken. En dat móét lukken. Ik móét mijn kinderen daar een perspectief bieden. Kunnen ze straks niet meer op zwemles of naar de bibliotheek, dan verliezen ze het niveau, dat ze hier hebben bereikt. Misschien knapt er wel iets in hun geest. Daarover maak ik me wel zorgen.”
Javier bereidt zich intussen op zijn eigen manier voor op de terugkeer. Zijn dagboek staat helemaal in het teken van die moeilijke overgang. Laatst, vertelt David, zag Javier op de televisie een programma over de handel in organen van Colombiaanse kinderen. De weerslag van die angstaanjagende uitzending vond David een paar dagen later terug in het dagboek van zijn zoon.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.