*

 
dossier

Archief

Van der Poel ziet het zompige slijk als zijn koninkrijk

JOHAN WOLDENDORP − 13/01/96, 00:00

KAPELLEN - Het ontlokt hem een glimlach, de wetenschap dat hij ex-aequo met wereldkampioen veldrijden Dieter Runkel, tot dusver de zegekoning van dit jaar is. “Nog wel,” zegt de man in kwestie met veel gevoel voor realiteitszin. Adri van der Poel kent zijn plaats. Hij is in bloedvorm, maar ook op jaren. Nu Gilbert Duclos-Lassalle is gestopt, zou het fietsende trainingsdier, 36 jaar maar gretig en speels als de jongste van zijn drie honden, wel eens de nestor van het internationale wielerpeloton kunnen zijn.

De veteraan zint op revanche. Het afgelopen seizoen was een rampjaar. In april kampte hij al met rugklachten, die lange tijd doorsluimerden. Toen Van der Poel er in de herfst eindelijk bovenop was geklauterd en via de Tour de France voor mountain bikers een plaatsje in de Olympische ATB-selectie voor Atlanta probeerde te veroveren, hoorde hij de deur door een val in het slot klikken. Iets te gejaagd ging hij aan de slag om tenminste nog iets van een andere passie, het veldrijden, te redden. Hij moest zich een lange aanloop laten welgevallen, maar heeft uiteindelijk de weg terug naar het erepodium gevonden. In Surhuisterveen en de Super Prestige-cross in Sint-Michielsgestel dolde hij met de concurrentie en is prompt favoriet voor de nationale titelstrijd, morgen in Zwolle.

Nederlands kampioen worden, dat is zelfs voor een mid-dertiger geen onoverkomelijke opgave. In het veld lukte hem dat de afgelopen zeven jaar al vijf keer, op de weg - in 1987 - eenmaal. Maar het goud aan het boeket medailles dat de muur in de huiskamer opsiert, is als het groen tussen de rozen. Het zilver domineert. Over drie weken probeert Van der Poel op het WK in de Parijse voorstad Montreuil eens niet tweede (dat gebeurde immers al vijf keer), derde (eenmaal) of vierde (vorig jaar in Eschenbach) te worden. “Maar een obsessie is het niet. Mijn probleem is dat er altijd een goede winnaar voor me zat, en dat het steeds verschillende renners waren. Je kunt het als een positief punt beschouwen dat ik op elk parcours uit de voeten kan. Maar voor mijn erelijst zou het beter zijn wanneer ik echt een specialisme had.”

De hereboer ploegt voort. Als boerenzoon ziet hij het zompige slijk als zijn koninkrijk. Klaagzangen zal hij niet aanheffen, revoluties prediken evenmin. In twee, drie uur bijtrainen na een semiklassieker van 200 kilometer ziet hij in het era van hartslagmeters en lactaatproeven nog altijd meer heil dan het volgen van per fax toegezonden computerprogramma's. Laat de monumenten asjeblieft de monumenten, laat de varkenskotten in Roubaix - de wasstraat na de helletocht door Noord-Frankrijk - de varkenskotten en laat de supporters in staat blijven hun idool aan te raken en te verheerlijken in plaats van dat die zich als een bionische pop moet laten aangapen in zo'n steriele skybox.

Adri van der Poel is er duidelijk in: “Ik fiets gewoon graag. Ik heb er veel aan te danken. Financieel heb ik goede jaren gekend. Ook een paar mindere, maar je zult mij nooit horen zeggen dat het slechte jaren waren. Daar kun je niet van spreken als je iets graag doet. Ik doe er veel voor en ik krijg er ook veel voor terug. Zelfs vorig jaar nam het plezier in het fietsen niet af. Ik trainde te hard om maar terug te kunnen komen, ik belastte mij te zwaar door te veel wedstrijden te rijden, maar ik wist ook waar de problemen vandaan kwamen. Daar train ik dan voor. Als je dan ook nog een paar wedstrijden wint, is dat mooi meegenomen.”

Liefst 134 overwinningen staan er op zijn professionele erelijst. Dertig als crosser, de rest als wegrenner. Nummer één was de derde etappe in Parijs-Nice van 1981, nummer honderd op 16 juli vorig jaar de kermiskoers van Oosteeklo. Daartussen zitten, op Parijs-Roubaix na alle mooie, grote klassiekers. Eerzuchtig als Van der Poel is, hoopt hij op de tweede zondag van april ook nog de symbolische kassei uit de koninginneklassieker te ontvangen. Dan is het cirkeltje gesloten, maar de carrière nog lang niet voorbij. Feitelijk begint hij weer aan een nieuw leven bij de Rabobankploeg van Jan Raas. Na tien jaar komt het tot een weerzien tussen de nuchtere Brabander en de nuchtere Zeeuw. Raas had Van der Poel al eerder willen contracteren, maar diens vroegere sponsor Novell stak er een stokje voor. Renners die ooit positief waren, hadden bij de softwaregigant meteen alle krediet verspeeld: delete, voer uit. “Ik heb daar waardering voor,” zegt de renner. “Je loopt in dit vak bepaalde risico's. De ene zaak, in de Siciliaanse Week, vind ik nog steeds een twijfelgeval (hij zou geflikt zijn met een bidon van iemand anders - red). Dat andere geval, dat kon absoluut niet. Het ging om efedrine. Achteraf was het een lachertje. Ik word er nog steeds mee geconfronteerd. De mensen vergeten het nooit meer. Wat de grote massa er van denkt, maakt me niet uit. Het beste is natuurlijk dat je een schone lei kunt overleggen, maar aan de andere kant vind ik dat er veel te veel produkten op de dopinglijst staan. Efedrine en cafeïne moet je schrappen. Testosteron is verantwoord, zolang het de gezondheid bevordert. Amfetamine heb je niet nodig. Ik heb er geen enkele moeite mee wanneer het gebruik daarvan zwaar bestraft wordt. Je moet een lijn trekken bij bepaalde produkten. En het zou aan de sporter zelf moeten zijn om te beslissen. Ik ben zestien jaar prof, ik fiets 26 jaar, dat zegt genoeg. Ik kan stellen dat ik er goed voor heb geleefd. Ik heb nooit gekke dingen gedaan.”

Een nieuwe sponsor, een nieuw geluid en een streep door het verleden. Adri van der Poel voelt zich gestreeld door het aanbod van Jan Raas. “Voor het Nederlandse wielrennen is de ploeg een hele goede zaak,” vertolkt hij de mening van velen. “Maar ik hoop wel dat wij renners beseffen dat het lot nu in onze handen ligt. Wij moeten het waarmaken. De sponsor moet tevreden zijn over ons.” De veteraan rijdt na het cross-seizoen een beperkt wegprogramma, dat grotendeels in het teken staat van anderen laten uitblinken en gloriëren. “In bepaalde wedstrijden mag ik voor mezelf rijden, in andere koers ik in functie van de ploeg. Ik heb daar geen moeite mee, ook nooit gehad trouwens. Ik heb in de Amstel Gold Race, een koers die mij goed ligt, wel eens op kop gereden voor Rooks. Ik deed dat in het ploegbelang, niet voor een wederdienst. Die heb ik trouwens ook nooit gehad. Rooks was niet zo weggeverig.”

Van der Poel maakte zijn profdebuut een jaar nadat Joop Zoetemelk de Tour de France had gewonnen. Het was de toptijd van een gouden lichting: Raas, Kuiper, Knetemann, Zoetemelk. Van der Poel, enkele jaren een trainingsmaatje van Kuiper, noemt zich een representant van de klasse onder die “supergeneratie”. Het charisma ijlt nog steeds vooruit, ook al omdat de groep laat-twintigers van nu kleurloosheid tot handelsmerk heeft gekozen. Wat dat betreft zit het Nederlandse wielrennen te wachten op de definitieve doorbraak van kleurrijke klasbakken als Nelissen en Blijlevens. Van der Poel: “Ik zou de coureurs die jij bekritiseert, niet slecht willen noemen. Het probleem is dat ze te veel op schema rijden. Ze hebben de oorspronkelijke doelen, het winnen en het brengen van spektakel, uit het oog verloren. Ik zou graag jonge renners zien die aanvallen, en ik heb nu in Raas een ploegleider die dat ook wil.”

Van der Poel heeft het wielrennen ingrijpend zien veranderen. “Vooral de snelheid is toegenomen. Verder heb je geen echte patron meer in het peloton. De koersen zijn meer open. Er zijn veel meer kandidaat-winnaars; ook renners van wie je het nooit zou verwachten. Vroeger stemde je een klassieker af op Raas en De Vlaeminck. In de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix geldt dat nog voor Museeuw, maar voor de rest is er geen peil op te trekken.”

Als het daar maar bij blijft, wenst van der Poel het cyclisme van harte toe. Laat het als rudiment van een oorspronkelijke topsportgedachte het eigendom van het volk blijven. “Ik kan mij niet voorstellen dat ik een tennisser ben, zittend in een ivoren toren, alleen contact met zijn sponsors hebbend. Voor een supporter lijkt me niets mooiers te bestaan dan een wielrenner te zien passeren die je kan aanmoedigen. Ze moeten in Parijs-Roubaix nooit dranghekken langs de kasseien plaatsen. De mensen willen midden op de weg staan en op het laatste moment opzij springen als de renners komen. Dat moet zo blijven.” Wat dat aangaat, zou Van der Poel die 'roomse' fascinatie, bewieroking en beleving van de sport in de Nederlandse samenleving willen transplanteren. “Ik wou dat er sportdagbladen als de Gazzetta dello Sport en L'Equipe verschenen. Ik zou ze van A tot Z lezen. Nederland zal er wel te klein voor zijn, maar het heeft ook met het karakter van het volk te maken. In de Belgische kranten is iedere favoriet voor het nationaal kampioenschap al ruimschoots aan bod geweest. Er staat soms een hoop onzin in, de journalisten weten soms ook niet meer wat ze moeten schrijven, maar van de cross in Surhuisterveen had in Nederlandse kranten toch iets meer mogen staan dan alleen de nummers één, twee en drie. Of ik dan het onheil over mezelf zou uitroepen? Ik weet dat ik in dat geval nog meer in een glazen huis zou wonen en altijd en overal moet opdraven, of het me nu goed uitkomt of niet. Als het te gek wordt, kan ik altijd zelf het moment bepalen dat ik nee zeg. Maar je rijdt in dienst van een firma, het wordt je ook een beetje opgedrongen.”

mailIcon print |