*

 
dossier

Archief

'De arbeidersklasse grijpt thans de politieke macht'

Door: redactie − 13/09/99, 00:00

1918. De socialistische leider Troelstra is er van overtuigd dat de revolutie naar Nederland zal overslaan. En net als de burgemeester van Rotterdam, Zimmerman, denkt hij dat de victorie van het proletariaat in dat socialistische bolwerk zal beginnen. Zondagavond 10 november vergaderen landelijk en lokaal kader.

Eerst gaf een Rotterdamsch afgevaardigde een schildering van de toestand in zijn stad; er moest snel iets gebeuren, anders zouden anderen het doen. ,,De arbeiders verwachten van ons een daad''. Men heeft deze berichten gekritiseerd onder verwijzing naar het normale stadsbeeld, dat verschillende afgevaardigden uit andere plaatsen meenden te hebben waargenomen; mijns inziens bewees dat niet veel voor de stemming in de arbeiderswijken. Belangrijker was, dat de berichten uit de andere steden geheel anders luidden; noch in Amsterdam, noch in Den Haag of elders kon van een spontane revolutionaire beweging worden gesproken. Ook de berichten, ons door Butselaar en K. ter Laan verstrekt over het leger, maanden tot voorzichtigheid. De regeering bleek reeds vergaande maatregelen voor de demobilisatie te hebben genomen. Daarbij zouden de oudere lichtingen, waarop de Bond van Dienstplichtigen doorslaande invloed had, het eerst aan de beurt komen. Nu reeds waren de meeste wapenen ingenomen; over een macht van militaire beteekenis zou een revolutionaire beweging niet kunnen beschikken.

De vergadering kwam tot deze conclusie: gezien de berichten uit het land mogen de Rotterdamsche plannen voor Maandag niet doorgaan. In plaats van het voor deze nacht voorbereide manifest, dat de arbeiders tot demonstreeren op Maandagmiddag zou oproepen, zal in de loop van de volgende dag een manifest worden verspreid, dat eischen zal stellen aan de zittende machthebbers; 's avonds zullen er te Rotterdam groote vergaderingen plaats hebben.

Dat ik deze vergadering met een bevredigd gevoel verliet, kan ik niet zeggen; in mijn hart was verbittering over de gevallen beslissing. Maar ik was niet anders van plan, dan mij bij dit organisatorisch genomen besluit neer te leggen en ik deelde den Rotterdammers mede, dat ik niet bereid was op één van hun avondvergaderingen de volgende dag te spreken. De uitnodiging, aan de eindredactie van het manifest, die 's nachts zou worden vastgesteld, mede te werken, sloeg ik af en zeer vermoeid begaf ik mij naar mijn hotel. Toen reeds hing in de stad een bulletin met het besluit der regeerng tot gedeeltelijke demobilisatie, een besluit, dat de ministerraad reeds enkele dagen eerder schijnt te hebben genomen, doch dat nu snel werd gepubliceerd. De regeering, die klaarblijkelijk op de hoogte was, deed haar tegenzet.

Maandag zocht ik de partijgenooten op, die 's nachts een voorloopige redaktie van het manifest hadden vastgesteld en nu over wijzigingen overlegden. Ik vroeg inzage van het manifest, dat verder ging, dan ik had verwacht en ik kon de opmerking niet weerhouden, dat verschillende van de opgenomen eischen toch een revolutionaire beteekenis hadden; zij omvatten: onmiddelijke demobilisatie met behoorlijke vergoedingen voor werklooze gedemobiliseerden; algemeen vrouwenkiesrecht; afschaffing Eerste Kamer; onverwijlde invoering van een wettelijken achturendag; staatspensioeneering op 60-jarige leeftijd; inwilliging van de eischen van de Bond van Dienstplichtigen; salarisverhooging voor het overheidspersoneel; intrekking stakingswetten 1903; volledige werkloozenzorg; levensmiddelenvoorziening als gemeenschapszorg; socialisatie der daarvoor in aanmerking komende bedrijven; uitvoering van het program van Bern (voor oprichting van een Volkenbond).

De vergaande strekking dezer eischen en de stemming, die op deze bijeenkomst bleek te heerschen, deden mij terugkomen op mijn oorspronkelijk besluit en, aan den sterken aandrang der Rotterdamsche vrienden toegevend, mij toch bereid te verklaren, dien avond in het Verkooplokaal als spreker op te treden.

Aan het middageten liet ik mij het avondblad van de Nieuwe Rotterdamsche Courant brengen en daar las ik het befaamd geworden hoofdartikel ,,De Arbeiderseischen'', waarin ons manifest werd besproken. Bij afschaffing van de Eerste Kamer, ,,nagenoeg nimmer een opbouwende kracht gebleken, maar wel menigmaal een sta-in-de-weg'', zou het blad zich ,,zonder hartzeer'' kunnen neerleggen. De sociale eischen van het program werden voor de burgerlijke lezers zoo aannemelijk mogelijk voorgesteld, ook socialisatie. Dat de oorlog de maatschappelijke grondslagen van voor 1914 had verwoest, had, aldus dit blad, ook zijn voordelen; nu ,,hebben wij ten opzichte van de herbouw zooveel te meer vrijheid''. Aan het eind van het artikel las ik o.a.: ,,Wat noodig is, is in de eerste plaats, dat ieder voor zich, de oude denkbeelden, die zch gevestigd hebben, herziet, en tracht de evolutie mede te maken.'' Beteekende dit niet, vroeg ik mij af, dat de bourgeoisie vrijwillig afstand deed?

De Rotterdamsche arbeiders hadden op ons hun verwachting gebouwd. Vijf groote zalen liepen dien avond vol; ik begaf mij eerst naar het Verkooplokaal, waar ik met Heijkoop en Butselaar zou spreken. Onvergetelijk is mij de aanblik van deze zaal opgetogen en doelbewuste mannen en vrouwen; achter slechts enkele rijen stoelen stond de massa schouder aan schouder en met ongekend vuur klonken onze strijdliederen uit de wachtende menigte op. Onder den indruk van de berichten uit Duitschland, waar Ebert rijkskanselier was geworden en de roode vlag van het keizerlijk paleis wapperde, zongen de arbeiders... ,,En de Internationale zal morgen heersen op aard.''

Toen heb ik het woord gekregen en de redevoering gehouden, die deze menschen van mij verwachtten en die recht kwam uit mijn hart, zonder door het nuchtere verstand te zijn gekontroleerd. Ik miste een rem en liet mij - iets wat, ik geef het toe, den politikus niet mag overkomen - door de grootheid van het oogenblik en door de geestdrift van mijn kameraden vóór mij meeslepen. Doch ik ondervond een eenheid met mijn hoorders, als ik nog niet had gekend en ik moet aan dezen avond blijven denken, als aan één van de mooiste oogenblikken van mijn leven.

Van het hoofdartikel der Nieuwe Rotterdamsche Courant zeide ik: ,,De achtergrond van dit alles is de zeer verstandige opvatting, dat de bourgeoisie zich niet enkele veeren, maar haar slagpennen moet laten uittrekken, en daarbij hetzelfde zoetsappige gezicht moet zetten als bij het schrijven van dit hoofdartikel.'' En daarmede kwam ik tot het slot van mijn rede, waarmee ik ongetwijfeld mijn boekje te buiten ging: ,,Maar het voornaamste, het eigenlijke staat niet in dit program. De arbeidersklasse in Nederland grijpt thans de politieke macht... Met een program zijn wij er niet. Wij hebben de vraag te overwegen, welke daad wij zullen doen. (...) Gij, bourgeoisie, gevoelt, dat de arbeidersklasse is geworden de macht, die niet meer kan vragen, eischen, maar die zichzelf als opperste macht moet konstitueren. Dit is de eisch der historie, voeg u ernaar...'' (Wordt vervolgd)

mailIcon print |