*

 
dossier

Archief

Alleen Reve ontsnapt aan greep van snel dovende nachtkaars

ONNO BLOM − 13/01/97, 00:00

ROTTERDAM - Het is maar zeer zelden een goed idee schrijvers achter hun schrijftafel vandaan te slepen om ze voor publiek te laten optreden. Dat werd afgelopen vrijdag weer eens onomstotelijk bewezen tijdens de literaire 'Winternacht' in de Rotterdamse discotheek Nighttown. Een hele rij schrijvers klom achter katheder en microfoon, maar alleen Gerard Reve bleek in staat de aandacht van de donkere en rumoerige zaal langer dan vijf minuten vast te houden.

Vanaf het eerste optreden, van de stemperformer Cas de Marez, werd het duidelijk dat het een lange nacht zou worden. Iedereen kakelde dwars door de hortend en stotend voortgebrachte geluiden van De Marez heen. “Ngngng....llllll tzzzssss”, perste zij eruit, wat nog het meest leek op de kreten van een orgastische Imam. Een onnavolgbare reeks klanken, zoals ploppen, gillen en gorgelen besloot de voordracht. “Hoe een avant-garde-kunstenares ook ouderwets kan zijn”, bromde een toeschouwer somber in de weldadige stilte die volgde.

De stemming sloeg pas om toen Gerard Reve het podium beklom. Plechtig zwaaiend als de koningin liep hij op de katheder af, waar iemand voor het passende decorum snel nog een bos dode bloemen neerzette. Reve kondigde aan een aantal van zijn gedichten te gaan voordragen. Een half uur later zou hij nog terugkeren om een passage uit zijn roman 'Het Boek Van Violet En Dood' voor te lezen.

Over zijn gedichten zei Reve: “Er zijn goede bij, vrome, opstandige, maar ook mindere.” Na de gedragen lezing van 'Op mijn ouderdom', waarin “de wanhoop alleen maar groter werd”, verzuchtte hij: “Dat is echt tragisch, dat hoor je niet elke dag.” Even later verklaarde Reve vrolijk de melancholische toon van het gedicht 'Nader Tot U': “Dat is geschreven in Friesland. Daar kun je maar twee dingen doen: je ophangen of een gedicht schrijven.” Op het gebulder van het publiek reageerde hij minzaam: “Ik kan het wel aardig zeggen, hè?”

Zo vertelde Reve tussen de op zichzelf al hilarische gedichten de ene mop na de andere. “Dit gedicht heet 'Quia Absurdum'. Dat is Latijns, dat doe je met passers en is heel moeilijk. Het betekent 'omdat het onbegrijpelijk is, is het waar'. Dan nu het gedicht, dat ik schreef in 1973:

“Je boek is af, je drinkt niet meer, je hebt je rijbewijs:

wat wil je verder nog voor Godsbewijs?''

Na het vertrek van Reve, al vroeg in de winternacht, was het met de aandacht van het publiek gedaan. Slechts een handvol mensen luisterde naar Russell Artus, die weliswaar een mooi verhaal uit zijn nieuwe bundel 'Een onbeschreven dag' had gekozen, maar met weinig bravoure voordroeg. “Vergeeft u mij op voorhand, ik moet nog groeien”, was zijn eerste zin.

Artus' timide optreden stond op één ongeïnspireerde lijn met dat van Heere Heeresma, die zelfs onverstaanbaar fluisterde, en Karin Spaink, die de tekst die ze eigenlijk had willen voorlezen naar eigen zeggen was kwijtgeraakt.

Nee, dan was het optreden van Christine Otten een stuk spannender: hoog op een omloop in de zaal las ze in glitterend goud gestoken voor uit haar debuutroman 'Blauw metaal'. Dorine Heheman speelde daarbij viool en spiegelde zo de muziek en het ritme die zo belangrijk zijn in Ottens boek. Toch gunden de aanwezigen ook dit duo de aandacht niet die het verdiende.

Geluisterd werd er pas weer noodgedwongen op het moment dat A. Moonen hysterisch in de microfoon brulde: “Die kanker-tyfus-pleuris-winter. Ik word er doodziek van. Misschien dat mensen met een bovenhuis het leuk vinden, maar ik woon beneden.” Moonen was het levend bewijs van de stelling dat elke geesteszieke die zijn eigen naam op papier kan zetten in Nederland tot de literatuur gerekend kan worden.

Een rampzalig optreden van de theatergroep 'De Kift' en de opgewonden, onzinnige act van Titi Zaadnoordijk die met vleugels op haar rug over het podium stuiterde, maakte de malaise compleet. Velen gingen ver voor tijd bedroefd naar huis. Terug de verbleekte Rotterdamse sterrennacht in. Ongetwijfeld zal het slot van Reve's gedicht 'De blijde boodschap' hen door het hoofd hebben gespookt: “Je vraagt je wel eens af:/ Waar hebben wij het aan verdiend?”

mailIcon print |