*

 
dossier

Archief

In een porie van Maha-Visjnoe

HENDRIK VAN TEYLINGEN − 01/02/97, 00:00

Valt er nog te flirten met het christendom? Of is het voorbij? Of is de toekomst aan de rooms-katholieke kerk? Of is kunst de nieuwe religie? Komt er het Systeem van de dichter Leo Vroman? Of is de toekomst der religie in onze Kali-tijd nul komma nul? Vandaag de schrijver Hendrik van Teylingen, lid van de Sri Chaitanya Gemeenschap: “De toekomst der religie, zeggen de Veda's, de komende honderden, duizenden jaren, is er een van individuele prevelaars, in wie bij tijd en wijle het licht opgolft. Als er dan eentje zijn geluk niet in zichzelf bewaren kan en morst en overloopt, komt er weer even een sekte van. Misschien doet die vervolgens gedurende enkele duizenden jaren van zich spreken, zoals christendom en islam, maar daarna raakt iedereen weer op zichzelf of zijn kleine kringetje van medeprevelaars teruggeworpen.”

Dezer dagen is het 22 jaar geleden dat ik als atheïst gegrepen werd door de boodschap van de Bhagavad-gita en een overtuigend 'krisjnaïet' werd. In een extatisch uur werd de woelige wereld onder mijn voeten vandaan geslagen en vond ik vaste grond in wat ik hier maar 'de geestelijke dimensie' zal noemen. Zoals men uit droombewustzijn ontwaakt tot waakbewustzijn, ontwaakte ik uit waakbewustzijn tot 'geestelijk bewustzijn'. Ik was door mijn lectuur van het bestaan daarvan weliswaar op de hoogte geweest en had ook geweten dat de ervaring ervan je in één klap tot 'een ander mens' maakt, maar hoe dat andere mens-zijn zou aanvoelen, daarvan had ik niet het flauwste vermoeden.

Omdat de ervaring niet in mensentaal is weer te geven, zal ik zo verstandig zijn daar ook geen poging toe te wagen. Ik heb haar overigens niet kunnen vasthouden. Soms komt ze even bij me terug, als ze daar zin in heeft. Ze is als een geschenk met eigen zelfstandigheid, als een poes die je op je verjaardag krijgt en die de volgende dag wegloopt. Niettemin werkt de bekeringskracht van de ervaring dermate in me door dat ik mijn geestelijke oriëntatie geheel verlegd heb naar de traditie - die van de Bhagavad-gita dus - van waaruit ze in me werd uitgestort.

De Bhagavad-gita maakt deel uit van de Vedische kennis. Ze wordt in feite als de essentie ervan beschouwd. Ze is keer op keer uit het oorspronkelijk Sanskriet vertaald. Zowel in het Hindi en Bengaals als in het Engels bestaan er bijna driehonderd vertalingen van. Zelfs een klein taalgebied als het Nederlandse kent al ruim een dozijn vertalingen (waarvan drie van mijn hand: de laatste uitgegeven in eigen beheer: Bhagavad-gita, Ganges, Amsterdam, 1993).

De Bhagavad-gita behelst het Woord van Krisjna, gericht tot Zijn mensenvriend Ardjoena. Krisjna, in wie de lezer God Zelf mag herkennen, definieert religie als liefdevolle overgave (bhakti) van de gevallen ziel aan God, de Hoogste Persoon. Hij legt uit (evenals de invloedrijke vroege christen Origenes dat later zal doen) dat de ziel, wier bakermat de geestelijke dimensie is, in de stoffelijke wereld van lichaam naar lichaam voortverhuist. Met elk lichaam identificeert ze zich, zodat ze zich stoffelijk waant, omdat lichamen nu eenmaal sterfelijk zijn. Steeds dichter naderend tot de lichamelijke dood, die ze als háár dood beschouwt, gunt ze zich, uit angst anders de vreugden van het lichamelijke leven te moeten missen, geen tijd om zich werkelijk in het geestelijke te verdiepen. Zo blijft ze in onwetendheid gedompeld. Daardoor blijft ze vele levens langer dan nodig gebonden aan het lichamelijk bestaan, met alle rampspoed van dien.

Gelukkig, zo zeggen de Vedische schriften, laat God Zelf geregeld sterke verlossingsimpulsen naar de gebonden zielen uitgaan. In de loop der millennia heeft Hij menige 'eniggeboren' telg Zijn licht in de duistere wereld laten binnendragen. De Bhagavad-gita verklaart dat Hij soms ook Zelf verschijnt, als Hoogste Persoon, zoals nu 5222 jaar geleden als Krisjna in het huidige India. Hij doet dan Zijn adembenemende, verlossende wonderen en vertelt Zijn adembenemende, verlossende verhaal, dat binnen het kader van een daaraan ontspruitende geestelijke traditie naar de toekomst wordt overgeleverd.

En heilig vorst na heilig vorst Wees zo de weg steeds verder voort Doch in de loop der lange tijd Ging het verbindingspad teloor.

Aldus Krisjna in de Gita (4.2) Met deze woorden geeft Hij aan dat de verbinding van de religie, zelfs al heeft Hij haar aanvankelijk Zelf tot stand gebracht, in verval kan raken en verloren gaan. Zo sterk is de invloed van de materiële natuur (die overigens een van Zijn vele eigen vermogens is) op ons denken. Toch ziet Krisjna dat blijkens de Gita kennelijk niet als iets definitiefs, want Hij verklaart (4.3):

Vandaag voorwaar verklaar Ik jou Wat deze aloude heilsweg is: Aan jou, Mijn toegewijde vriend, Zeg Ik dit diepst geheimenis.

Ga ik dus af op de Bhagavad-gita, die me zo lief geworden is, dan hoef ik me over de toekomst der religie niet druk te maken. Zelfs na een catastrofe van het door Nostradamus voorzegde formaat, waarna evenals na Auschwitz niemand meer veel van God zal kunnen begrijpen, zal Hij Zijn licht opnieuw willen laten schijnen. Als er maar iemand is die het in vriendschap ontvangen wil.

Vedisch gesproken leven we in het Kali-tijdperk, een periode van in totaal 432.000 jaar, die om precies te zijn, naar onze tijdrekening, op 18 februari 3102 v. Chr. begon. Op die dag keerde Krisjna naar Zijn Eeuwig Koninkrijk terug. Het Sanskriet-woord kali heeft betrekking op de dobbelsteenkant gemerkt met een enkele stip, de verlieskant. Het betekent wedijver, tweedracht. Het is ook een eigennaam van Twist, de zoon van Woede en Geweld, die bij zijn zuster Smaad twee kinderen verwekt, de kleintjes Angst en Dood. Over het Kali-tijdperk, ook wel de IJzeren Tijd genoemd, zegt het twaalfde boek van het Vedische Bhagavata Poerana (ik geef de sloka's in herdichting):

Slechts rijkdom geldt in Kali-yoeg Als adel en verdienstelijkheid En macht alleen is maatstaf voor Wet, orde alsook gerechtigheid.

Schijnheiligheid is 't enig goed En geldgebrek het enig kwaad, Men trouwt als men er zin in heeft En vuil afwassen heet al 'bad'.

Men baadt niet meer in 't heilig oord, Een man is mooi slechts met lang haar, Men stopt zich vol en dat is dat En rauwe taal alleen is waar.

Van vrouw en eigendom beroofd Door 't boevenpak aan het bewind Trekt men zich terug in grot en kloof En voedt zich met hetgeen men vindt.

Uitgehongerd en uitgebuit Blaast men zijn laatste adem uit In droogte, hitte, koude, storm, Sneeuw, regen en totale strijd.

In 't Kali-tijdperk zal de mens Gekweld worden door honger, dorst, Kwalen en leed, waarbij hij niet Veel ouder meer dan twintig wordt.

Bovendien: hij zal slechts bekwaam heten als hij zijn zakken weet te vullen; hij zal niet groter worden dan een bok; koeien zullen niet meer melk geven dan een geit; bomen zullen niet groter worden dan struiken; wolken zullen geen regen meer geven en met een laf plofje vervagen...

De Vedische kennis voorziet dus op langere termijn een algeheel verval van waarden, en wel als gevolg van teloorgang van het religieuze leven. Christenen, moslims, joden, hindoes, boeddhisten, taoïsten, theosofen, antroposofen, sjamanen, New Agers, individuele profeten, ze kunnen hoog en laag springen met hun revivals, bezinningsconferenties en orakelende kreten, maar de toekomst der religie in onze Kali-tijd is nul komma nul.

Op een poortje in Mathoera, het stadje waarin Krisjna ter wereld kwam, zag ik in het Hindi gekalkt: Satyoeg ayènga! “Het Satya-tijdperk is in aantocht!” Satya, de Gouden Tijd, is de era die direct op Kali-yuga zal aansluiten. Wat een optimist, die verziende graffiteur! Met een paar kwast-halen reduceert hij 427.000 jaar van lichamelijke en geestelijke ellende tot een beuzeling. Hij hipt eroverheen als een mus over een steentje.

Typisch Vedisch, mag men zeggen. Wij westerlingen komen, als het om vooruitdenken gaat, vaak niet verder dan een jaar of tien, twintig - en wie dan leeft dan zorgt. Een Vedicus, tot welke sekte hij ook behoort, ziet met gemak honderdduizenden, miljarden, ja triljoenen jaren voor- èn achteruit; en in al die onmogelijk ver verwijderde tijdsperioden weet hij zichzelf in deze of gene gedaante, hoe dan ook ergens in de materiële sfeer aanwezig. (Tenzij het de Heer behaagd heeft hem op zijn dringend gebed voorgoed te verlossen).

Ziet een westerling alle leven beginnen met een kosmische explosie en eenmaal eindigen met een kosmische implosie, een Vedicus heeft weet van begin noch eind, noch kent hij slechts één kosmos. Hij heeft vernomen van ontelbare kosmossen (hij noemt ze hiranyagarbha's, 'gouden zaden' of 'gouden baarmoeders'), die elk voor zich vanuit een schijnbaar niets tot het uiterste opzwellen en na enkel triljoenen jaren weer tot een schijnbaar niets ineenkrimpen, waarna ze wéér opzwellen enzovoort. De visie van het kosmische zwellen en krimpen strookt weliswaar enigermate met het westerse denkbeeld; maar de duizelingwekkende gedachte van het oneindige herverschijnen van ontelbare universa is ons even vreemd als die van het verglijden, binnen die universa, van era's van afgepaste tijdsduur.

Het schijnbaar niets van waaruit een universum opzwelt of ontploft, zo meent de Vedicus verder, is een porie van de bovenzinnelijke gedaante van Maha-Visjnoe, de Grote Alheer. Volgens de Brahma-samhita, een Vedische tekst, is Maha-Visjnoe een Expansie van Krisjna, niet minder goddelijk dan Hij. 'Ergens in een hoekje' van de transcendente dimensie ligt Maha-Visjnoe in alle eeuwigheid te dromen. Hoewel Hij als God geen adem hoeft te halen om in leven te blijven, ademt Hij al dromend in en uit. Bij Zijn uitademing verschijnen uit Zijn poriën, alsmede uit neus en mond, de ontelbare heelallen, die tot het uiterste opzwellen, waarna ze bij Zijn inademing tot het uiterste ineenkrimpen en in Zijn poriën verdwijnen - om daarna weer te verschijnen enzovoort. Zo'n Godsporie kan gezien worden als een Vedische metafoor voor de singulariteit waaruit een big bang geboren wordt. Vanuit het niets - de voor ons empirisch peilen toegesloten immateriële dimensie waarin Maha-Visjnoe verwijlt - verschijnt heelal na heelal als concrete materie aan de zielen die hen komen bevolken en enigermate pogen te onderzoeken.

Zo lang een heelal vigeert, doorlopen de verschillende regionen erbinnen hun eigen tijdperken. Na kali, dat 432.000 jaar moet duren, verschijnt hier op aarde Satya, de Gouden Tijd, die viermaal zo lang duurt; na Satya Treta, de Zilveren Tijd: driemaal Kali; na Treta Dvapara, de Koperen Tijd: tweemaal Kali; enna Dvapara opnieuw Kali en vervolgens het rijtje weer af - 4:3:2:1 - en dat duizend maal. Na die duizend kringlopen der vier grote tijdperken is er gedurende een even lange periode helemaal niets: duisternis, kosmische nacht, het schijnbare 'einde der tijden'. Daarna doen zich opnieuw duizend era-kringlopen voor, wederom gevolgd door een even lang durende kosmische nacht enzovoort, tot het heelal weer Gods-porie-waarts implodeert...

De onverloste zielen, die met het inkrimpen van een universum mee-verdwijnen in een porie van Maha-Visjnoe, verschijnen met de geboorte van een nieuw heelal weer uit deze of gene Gods-porie mee. Er zijn dus van stonde af aan in elk universum zielen, klaar om zich te manifesteren in de individuele belichaming die hun, overeenkomstig hun karma vanuit 'hun vorige heelal', ter beschikking wordt gesteld. (Hoe dàt gebeurt, is ook weer zo'n vèr verhaal).

Mensenlichamen zijn van alle tijden. Onze paleontologen zien dat tot hun verbazing steeds meer bevestigd. Hun oudste mens, de onlangs in het Ethiopische Awasj-dal gevonden Australopithecus afrarensis, 4,4 miljoen jaar oud, is Vedisch gesproken maar een jonkie. Als we bedenken dat een mensenlichaam in doorsnee grafgrond in vijfenzeventig jaar geacht wordt tot stof te zijn vergaan, is het verbazingwekkend dat er van zo diep uit de tijd menselijke resten aan het licht zijn gekomen.

4,4 Miljoen jaar geleden liep het vorige Kali-tijdperk ten einde. Klopt het Vedisch scenario, dan was de Ethiopische arafensis een totaal van religie verstoken ellendige, die 'uitgehongerd en uitgebuit' zijn laatste adem uitblies 'in droogte, hitte, koude, storm/sneeuw, regen en totale strijd.' Zo hóórt het nu eenmaal in Kali. Zoals het in Satya hóórt dat ieder mens op aarde ononderbroken op God mediteert; zoals het in Treta hoort dat ieder mens zijn bijdrage levert aan het celebreren van soms tientallen jaren in beslag nemende offers aan de Allerhoogste; en zoals het in Dvapara hoort dat men God dient in Zijn tempel.

Hoe beroerd het in Kali gaandeweg ook met de religie gesteld zal zijn, evenals de drie andere tijdperken kent het niettemin een eigen verlossingsweg ten behoeve van de weinige gelovigen die er op den duur nog op aarde zullen wonen. Men zal zich steeds minder als gemeente aan het dienen van de Allerhoogste kunnen wijden, verklaren de Vedische teksten. Alles versplintert. Slechts in kleine groepjes of als individu, zich vertwijfeld vastklampend aan dit of dat heilig boek, zal men God blijven zoeken. Wanneer er geen Bijbel of Koran meer over zal zijn, kan men in elk geval nog de naam van God aanroepen en overleveren. Daarin ligt de religieuze weg van Kali: aanroeping van Gods heilige naam. Omdat die naam identiek aan God wordt geacht en daarom van al Zijn vermogens doordrongen heet te zijn, zal de wanhopige die zijn geest eraan uitlevert, als het allemaal klopt, daarin de liefdevolle aanwezigheid van zijn Schepper ervaren.

We zien oudere moslims in staat van lichte shock om de verbijsterende naaktheid van westerse jonge vrouwen - kijk ze in hun mini met nauwelijks bijeen gehouden knieën recht op je af fietsen! - met onzekere vingers de kralen van hun bidsnoertje betasten. Hoewel ze de term kali niet kennen, bespeuren ze het verderf overal om zich heen en zoeken hun heil bij het in stilte aanroepen van de negenennegentig-en-één namen van Allah. Een nog jonge, netjes geklede man, boodschappenkarretje aan de ene hand, rozenkrans in de andere, begeeft zich onzevaders en weesgegroetjes prevelend onverstoorbaar door het kabaal en de stank van de Kali-baaierd Amsterdam.

Een sliertje Hare Krisjna's doet het hardop en boodschappend met een tekst uit het Brihan-Naradiya Poerana: harer-nama harer-nama harer-nama eva kevalam / kalau nastyeva nastyeva nastyeva gatir anyatha! “Er is in Kali echt, echt, echt geen andere weg dan de naam van de Verlosser, de naam van de Verlosser!” Her en der, vrijwel onopgemerkt door zijn medemensen, verricht iemand zijn dagelijkse bezigheden terwijl hij innerlijk onophoudelijk het Jezusgebed herhaalt, indachtig de aanmaningen van de woestijnvaders verzameld in de Philokalia.

De toekomst der religie, zeggen de Veda's, de komende honderden, duizenden jaren, is er een van individuele prevelaars, in wie bij tijd en wijle het licht opgolft. Als er dan eentje zijn geluk niet in zichzelf bewaren kan en morst en overloopt, komt er weer even een sekte van. Misschien doet die vervolgens gedurende enkele duizenden jaren van zich spreken, zoals christendom en islam, maar daarna raakt iedereen weer op zichzelf of zijn kleine kringetje van medeprevelaars teruggeworpen.

mailIcon print |