*

 
dossier

Archief

Met Dijkstal op weg naar het geluk

WILLEM BREEDVELD − 15/01/97, 00:00

Een minister die zijn betoog begint met de ruimhartige uitspraak dat we 'allemaal op weg zijn naar het geluk' en die met een brede glimlach onderstreept hoezeer hij iedereen dat geluk van harte gunt, kan al gauw een potje breken. Want over zo iemand lijkt de nobele geest vaardig te zijn geworden van de founding fathers van de Verenigde Staten die tot heil van het vrije Westen in de Amerikaanse Grondwet het recht hebben verankerd om in volle vrijheid het geluk na te mogen jagen (the pursuit of happiness) en wie zou zo iemand willen of kunnen tegenspreken?

Evenzogoed was het een kras staaltje van minister Dijkstal om met juist dit aanloopje de 'kloof' weg te wimpelen die telkens weer als een doem opduikt in de discussie over de relatie tussen de burgers en de overheid en die volgens sommige schrijvers in de 21ste eeuw wel eens zou kunnen uitgroeien tot een onoverkomelijke barrière voor het voortbestaan van de democratie, zoals we die nu kennen. Over dit thema, de parlementaire democratie in de 21ste eeuw, heeft de Thorbeckevereniging ter gelegenheid van haar tienjarig bestaan een boek samengesteld, waarin vertegenwoordigers van verschillende politieke partijen en wetenschappers zich tamelijk pessimistisch uitlaten.

Maar volgens Dijkstal, die het boek maandag in ontvangst nam, is er weinig reden tot klagen. Kort samengevat: we leven in een maatschappij waarin burgers uitstekend op de hoogte kunnen zijn van wat er allemaal gebeurt en waarin zij zich bovendien van legio kanalen kunnen bedienen om de overheid aan het verstand te brengen waar zij in hun geluk gedwarsboomd worden. Omgekeerd behoren Kamerleden, naar Dijkstal zijn gehoor plechtig verzekerde, tot de best geïnformeerde burgers van het land. En allemaal op weg naar het geluk. Dus, hoezo kloof? Hoezo, probleem?

Als er al een probleem is, aldus Dijkstal, dan niet omdat er sprake is van een kloof, maar juist omdat we elkaar te dicht op de huid zitten. We dreigen door de bomen het bos niet meer te zien. Er is sprake van een communicatieprobleem dat nog het beste kan worden opgelost door te luisteren. Niet naar die oppervlakkige enquêtes waardoor politici zich al te vaak laten opjutten. Maar heel gericht en grondig. Wat dat betreft kunnen we volgens Dijkstal nog heel wat van het bedrijfsleven leren. En hoewel hij het gebruik van dit modieuze woord zorgvuldig meed, bepleitte Dijkstal wel degelijk het nut en de zin van marketing in de politiek.

Een zinnig advies, lijkt me. Ware het niet dat in dit postmoderne marketing-tijdperk iedere nieuw aantredende partijvoorzitter zich het luisteren allang tot zijn of haar geestelijk eigendom blijkt te hebben gemaakt. Maar het helpt geen zier. Partijvoorzitter Helgers van het CDA liet zich bij zijn aantreden zelfs een paar olifantsoren aanmeten en hoewel hij sindsdien voortdurend met gespitste flappers door het land gaat, hebben we op een enkele stommiteit na nooit meer iets van hem vernomen.

Ik heb ook niet de indruk dat een gebrekkige marketing of een ontoereikende communicatie het probleem is. Probleem is veeleer dat politici al luisterend beduchter zijn geworden en van de weeromstuit angstvallig naar elkaar toe zijn gekropen in het veilige politieke midden. Zoals de Leidse politicoloog Rudy Andeweg op die bijeenkomst zei: politieke partijen deinzen ervoor terug duidelijk positie te kiezen. En, voeg ik er aan toe: dat niet alleen, juist omdat ze goed luisteren en vanwege de voortreffelijke marketing doen ze een scheutje van alles wat in hun beleid, en om zich desondanks te kunnen onderscheiden, claimt ieder voor zich de juiste mix te hebben gevonden.

Zo heeft de met de Amerikaanse Grondwet geproclameerde jacht op het geluk ten slotte een smakeloos brouwsel opgeleverd, waarvan je met de beste wil van de wereld niet kunt zeggen of het nu goed is of juist slecht.

mailIcon print |