AMSTERDAM - De SS'er Alfons Zündler, zowel bejubeld als verguisd voor zijn rol als jodenbewaker in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, is volgens het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie niet de held geweest die hij zelf voorgeeft te zijn.
In een gisteren openbaar gemaakt rapport van het Riod concludeert medewerker J. Houwink ten Cate dat Zündler in mei 1943 niet ontheven werd van zijn functie als bewaker in de Hollandsche Schouwburg omdat hij joden hielp ontvluchten, zoals Zündler zelf beweert, maar vanwege 'Rassenschande'.
Zündler zou op 3 mei 1943 door zijn commandant, F. H. Aus der Fünten, zijn betrapt toen hij zich met zijn mede-SS'er F. Weber amuseerde met een jonge joodse vrouw die ze in de schouwburgzaal hadden opgepikt.
Het rapport werd door het Riod geschreven op verzoek van het Holocaust-herdenkingsmuseum Yad Vashem in Jeruzalem. In september 1993 besloot de Afdeling voor de rechtvaardigen van Yad Vashem dat de voormalige SS-Unterscharführer in aanmerking kwam voor de Yad Vashem-medaille. Een aantal geredde joodse Nederlanders hadden Zündler voor de onderscheiding voorgedragen, nadat hij eerder dat jaar door het weekblad Vrij Nederland was opgespoord in München. Ze overhandigden aan Yad Vashem twaalf verklaringen van getuigen, die zeiden dat Zündler ten minste twintig mensen persoonlijk het leven had gered. Ook zeven medewerkers van de Joodsche Raad verklaarden dat zij dankzij Zündler talloze joden hebben kunnen redden.
Twee weken na de bekendmaking dat Zündler de medaille zou krijgen, werd in Nederland een tegencomité opgericht. Dit comité stelde zich op het standpunt dat iemand die betrokken was geweest bij de deportatie van 60 000 joden, niet in aanmerking dient te komen voor zo'n onderscheiding.
Een intern-joodse controverse in Nederland was daarmee geboren, die steeds hoger opliep. Op advies van de Israëlische ambassadeur in Nederland, dr. M. Bavly, schortte Yad Vashem de uitreiking van de prijs op.
Het anti-Zündlercomité had intussen aangeklopt bij het Riod, waar medewerker J. Houwink ten Cate al snel uit de archieven een verklaring uit 1950 opdook van Willy Lages (samen met Aus der Fünten verantwoordelijk voor de deportatie van de joden uit Amsterdam). Daarin beriep Lages zich, als blijk van zijn goed gedrag, op het laten bestraffen van Zündler, die zich schuldig zou hebben gemaakt aan “mishandeling en verkrachting”. Houwink ten Cate schreef in een brief aan het actiecomité en Yad Vashem dat “Lages is to be believed”.
Hoewel enigszins ontstemd door het klaarblijkelijke geloof van de Riod-medewerker in oorlogsmisdadiger Lages stemde Yad Vashem in met het aanbod van Houwink ten Cate om de zaak verder uit te spitten. De uitreiking van de onderscheiding werd tot dat nadere bericht uitgesteld.
Enkele weken geleden maakte Yad Vashem wereldkundig dat Zündler de medaille toch niet krijgt uitgereikt. Wel krijgt de Duitser een schriftelijke dankbetuiging thuis als blijk van erkenning voor zijn hulp bij het redden van joodse mensenlevens. Bij deze beslissing gaf het rapport van Houwink ten Cate de doorslag. De Riod-medewerker baseerde zich daarbij geheel op (de schaarse) geschreven bronnen. Veel materiaal dat uitsluitsel zou kunnen geven, kwam de tweede wereldoorlog niet ongeschonden door.
De getuigenverklaringen ten gunste van Zündler bij Yad Vashem speelden in het rapport geen enkele rol. Wèl werden Zündlers eigen recente verklaringen over zijn oorlogstijd tegen het licht gehouden van het nog voorhanden zijnde archiefmateriaal.
Houwink ten Cate ontdekte verschillende tegenstrijdigheden tussen beide. Zo heeft Zündler altijd beweerd dat hij onder dwang dienst nam bij de SS. Zündler trad echter tot de SS toe acht dagen voordat de paramilitaire organisatie in Danzig waartoe hij behoorde, werd ingelijfd bij het gewone Duitse leger; de Wehrmacht. Ook heeft Zündler nimmer het IJzeren kruis gekregen voor betoonde moed, waarover hij in 1943 tegenover een kameraad pochte, maar slechts een gewondenmedaille.
Over de reden waarom hij werd opgepakt als bewaker van het gevangenkamp voor joden in de Hollandsche Schouwburg, heeft Zündler verschillende lezingen. Doorgaans noemde hij zijn hulp aan joden. Maar vorig jaar zei Zündler tegenover de Süddeutsche Zeitung dat hij gevangen werd genomen wegens overtreding van de Neurenberger (rassen)wetten. Anders gezegd: hij had als 'arische' Duitser geslachtsgemeenschap gehad met een jodin (in de brede zin des woords; zoenen en aanraken konden daar ook onder worden verstaan).
In een uitgebreide historische reconstructie concludeert Houwink ten Cate dat deze 'rassenschande' de oorzaak is geweest van de zware straf die Zündler en Weber eind juli 1943 bij het SS- und Polizeigericht in Den Haag over zich hoorden uitspreken: de doodstraf.
De hoogste baas van de SS in Nederland, S. A. Rauter, zette deze straf daarna om in tien jaar opsluiting in een SS-strafkamp in Dachau. Maar zelfs dat was een ongewoon zware straf voor een vergrijp als Zündler had gepleegd. Te meer daar de betrokken joodse vrouw bij haar verhoor door de Duitsers uitdrukkelijk verklaarde dat ze niet gedwongen was tot seksueel contact. Tegenover een van de voorzitters van de Joodsche Raad, prof. dr. D. Cohen, zou ze later in Westerbork of Theresiënstadt zich zelfs beroemen op haar ontmoeting met Zündler.
Ook de SS klaagde Zünder niet voor verkrachting aan, maar voor 'rassenschande' (al tekent Houwink ten Cate er terecht bij aan dat de vrouw zich in een noodsituatie bevond). De zware bestraffing van Zündler en Weber zorgde dan ook voor opschudding onder de overige bewakers van de Hollandsche Schouwburg. Houwink ten Cate heeft sterke vermoedens dat er een voorbeeld gesteld diende te worden aan de rest.
Twee weken na de uitglijder van de twee (maar ver voor het vonnis) hield namelijk ook portier R. Wolf zijn handen niet thuis. Daarom ook werd de hoofdverantwoordelijke officier, Hauptsturmführer F. A. G. Streich, in rang gedegradeerd en tijdelijk overgeplaatst.
De tanende discipline van de bewakers van de Hollandsche Schouwburg kwam op een cruciaal moment: Rauter dacht aan de volgende stap in het 'Judenfrei' maken van Nederland. Na de provincie was nu Amsterdam aan de beurt, liet Rauter in april 1943 aan zijn rechterhand W. Zöpf weten. Voor de deportatie van die nog legaal overgebleven 35 000 à 39 000 joden in Amsterdam was de Hollandsche Schouwburg onmisbaar.
Houwink ten Cate verwerpt de suggestie dat Zündler mogelijk zo'n hoge straf heeft gekregen, omdat na de ontdekking van diens 'rassenschande' de SS ook zijn diensten ontdekte bij het helpen ontsnappen van joodse gevangenen. 'Rassenschande' werd vaak oogluikend toegestaan, maar kon soms ook zeer zwaar worden bestraft. De maximale straf die er op stond, bedroeg 15 jaar tuchthuis, aldus de Riod-onderzoeker in het rapport.
De vraag blijft dan toch hoe het kan dat Zündler (evenals Weber) in eerste instantie maar liefst de doodstraf kreeg opgelegd. Houwert ten Cate houdt het op het doel dat de middelen heiligt: Zündler werd slachtoffer van het noodzakelijke herstel van de discipline onder het bewakend personeel van de Hollandsche Schouwburg aan de vooravond van de ontruiming van Amsterdam.
Dr. J. Michman, rapporteur van de commissie die besliste over de Yad Vashem-medaille voor Zündler, komt in zijn schriftelijke reactie op het rapport tot een andere conclusie: na de arrestatie wegens 'rassenschande' ontdekte de SS in de loop van het onderzoek dat Zündler en Weber joden hadden geholpen, waarop Rauter besloot dat beiden voorgeleid moesten worden voor de SS-rechtbank. Voor die versie pleit dat er nog één SS'er betrokken was bij het seksuele incident. Die ging wèl vrijuit en heeft nog tot november 1943 in de Schouwburg als bewaker gewerkt.
Kortom, met dit Riod-rapport is het laatste woord over de mogelijke Schindler van de Hollandsche Schouwburg nog niet gezegd, ook al krijgt Alfons Zündler de medaille als 'Rechtvaardige onder de naties' er niet door.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.