*

 
dossier

Archief

DNA-gegevens van misdrijf opslaan in centrale databank

HANS MARIJNISSEN − 02/01/98, 00:00

Voor H. Janssen van de afdeling serologie op het gerechtelijk laboratorium in Rijswijk begint op 1 januari 'de grote schoonmaak'. Niet langer meer die politie-agenten uit Groenlo of Heinkenszand die zonodig eiwit- of bloedsporen onderzocht willen hebben. Vanaf dat moment zal alleen nog compleet DNA-onderzoek worden uitgevoerd, mét een officieel verzoek daartoe van een rechter-commissaris of officier van justitie.

De schifting is broodnodig. De onderzoeksafdelingen worden overspoeld met verzoeken, terwijl niet altijd de noodzaak ervan kan worden aangetoond. Met de testresultaten gebeurt ook te weinig. Een voorbeeld. Janssen: “Een korps onderzoekt een verkrachting en vraagt ons kledingstukken op sperma te onderzoeken. Als dit wordt aangetroffen melden we dit, maar we moeten vervolgens maar zien wat het korps met die informatie doet.”

“Zelden horen we of ons werk heeft bijgedragen aan de oplossing van het delict. En zo kunnen we verstrekte informatie ook niet gebruiken voor andere onderzoeken. Misschien heeft dezelfde verkrachter een maand eerder honderd kilometer verder ook toegeslagen.”

Dat kan veel beter, dachten ze op het lab. Tegenwoordig is de techniek om aan de hand van lichaamssappen en -weefsel personen te indentificeren zo verbeterd, dat van alle menselijke sporen standaard een zogenaamde unieke DNA-fingerprint moet worden gemaakt. En die moet bewaard in één centrale databank.

Vanaf 1 januari moeten politiekorpsen monsters van genetisch materiaal, aangetroffen op een 'plaats-delict', doorsturen naar het laboratorium. De officier van justitie moet toezien dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Minister Sorgdrager is daarnaast met een wetsvoorstel gekomen dat verdachten van moord of verkrachting kan verplichten mee te werken aan DNA-onderzoek, door wat bloed of wangslijm af te staan. Dit kan alleen als een rechter-commissaris toestemming geeft. Blijkt de verdachte onschuldig, dan wordt het materiaal vernietigd.

“Door actief DNA-monsters te verzamelen en centraal op te slaan”, zegt Janssen, “kunnen we als een verdachte slijm heeft afgestaan, nagaan of hij meer op zijn kerfstok heeft. We kunnen onderzoeken of het DNA van de man al in de data-bank is vastgelegd en in verband met welke delicten. Maar ook al hebben we geen genetisch materiaal van een verdachte, dan nog is het zeer zinvol DNA uit verschillende delicten aan elkaar te koppelen. Het maakt voor een politie-onderzoek nogal uit of er in een provincie tien op zichzelf staande verkrachtingen hebben plaatsgevonden, of dat deze zijn gepleegd door één verdachte. En mocht er ooit een verdachte opgepakt worden met datzelfde DNA, dat weet de politie dat het niet om een incidentele aanranding gaat.”

Per 1 januari begint de DNA-bank met zo'n 300 tot 400 prints en Janssen verwacht dat er elk jaar eenzelfde aantal bijkomt. “We zullen niet hard groeien, omdat de criteria zo nauw zijn gesteld. We sparen alleen de sporen uit zeer ernstige delicten.” Wat Janssen betreft had de nieuwe wet wel wat soepeler gekund. “Ik persoonlijk had graag gezien dat we bijvoorbeeld ook van inbraaksporen DNA-prints zouden maken. Maar de minister van justitie vindt op dit moment het middel daarvoor te zwaar.”

Janssen van de afdeling serologie voelt zich daarom een onderzoeker met de handen op de rug gebonden. Hij kijkt jaloers naar de collega's in Groot-Brittannië, die wél het DNA uit lichtere delicten mogen opslaan. “Per jaar verzamelen ze daar 130 000 monsters!” zegt Jansssen enthousiast. “De verwachting is dat die stijging aanhoudt, tot een aantal van vijf miljoen zal zijn bereikt. Het succes is enorm. Tachtig procent van de DNA-prints afkomstig uit inbraak kan worden gelinkt. Aan een andere inbraak, aan een zwaarder delict als verkrachting, óf aan een verdachte. De afgelopen jaren zijn er in Groot-Brittannië 153 moorden opgelost met behulp van de DNA-databank.” En dat wil Janssen ook zo graag.

mailIcon print |