NEW DELHI - “U zult hen zien. Hun handen zijn zacht als die van vrouwen. Je voelt onmiddellijk dat zij er niet aan gewend zijn zwaar werk te verrichten. Maar als zij toeslaan, doen zij dat hard, zonder enige emotie te tonen. Daarna trekken ze verder, soms maanden achtereen. Ze wassen zich niet, ze eten ongekookt voedsel. Ze zijn vies. Smerig. En gevaarlijk.”
Hoofdagent Jai Bhagwan kent zijn klanten. Het zijn de Pardi's, leden van een geheimzinnige stam uit Madhya Pradesh, een deelstaat in midden-India. Een stam die, zo wil het volksgeloof, niet op het rechte pad is te krijgen. De Britten, de vroegere kolonisators, deden er alles aan de Pardi's tot een normaal burgerleven te bewegen. Niets hielp. En nog niet. De Pardi's zijn de schrik van het moderne stadsleven.
De afgelopen maanden was de Indiase hoofdstad New Delhi in de ban van de rauwe misdaad. Bijna dagelijks werd de stad van circa 12 miljoen mensen opgeschrikt door een wrede moord. Veel van de misdaden vinden plaats in het westen en zuiden van de stad waar de opkomende middenklasse woont, de mensen die hun nieuw verworven rijkdom bedreigd zien door criminele bendes.
Misdaad is ook in India een fenomeen van alle tijden, weet Deepak Mishra, commissaris van politie in het District West, waar zo'n twee miljoen mensen wonen. Als oorzaken noemt hij lust, hebzucht en passie, maar ook de alsmaar doorgaande groei van de bevolking, en de toenemende migratie van het platteland naar de stad.
In dat laatste kader plaatst Mishra wat hij noemt “het verdwijnen van de sociale controle”. Hoe talrijk en verfoeilijk ook de bijverschijnselen van het Indiase kastenstelsel, dit maatschappelijke geledingssysteem heeft er wel vele jaren voor gezorgd dat 'rijk' relatief weinig te vrezen had van 'arm'. Het toeval van de geboorte bepaalde dat ieder zijn of haar plaats kende. Maar de economische en sociale barrieres worden langzaam geslecht.
Nog steeds is New Delhi een relatief veilige stad, meent ook commissaris Mishra. “We hebben hier te maken met zo'n 50 000 misdaden per jaar, in alle soorten en maten.” Het aantal moorden ligt boven de 500, de ruim 600 pogingen tot moord niet meegeteld.
Voor de bescherming van elke duizend burgers is doorgaans een politieagent beschikbaar. Meestal is dat een man met een mager salaris en een uiterst slechte reputatie bij de bevolking die hij heet te beschermen. “De helft van onze mensen zijn we sowieso kwijt, omdat zij ingezet worden als veiligheidsagenten van belangrijke personen”, vertelt Mishra. Delhi is ook de regeringshoofdstad. Hoe hoger het aanzien van een politicus of topbureaucraat, hoe groter het aantal mannen om hem heen dat vervaarlijk zwaait met hun machinegeweren. Daarnaast zijn dagelijks duizenden agenten in touw bij protestdemonstraties, bedoeld om het ongenoegen in 's werelds grootste democratie in goede banen te leiden.
De overgebleven, vaak slecht geschoolde agenten staan bekend om hun 'cynisme', geeft commissaris Mishra toe. Bekend is de mop van de Delhi-agenten op leeuwenjacht. Na zes dagen worden zij gevonden in het bos, waar zij een olifant aan een boom hebben vastgebonden. De agenten meppen op het beest in: “Geef toe dat je een leeuw bent.”
Mishra kent dergelijke grappen. “Maar scheer niet iedereen over dezelfde kam”, zegt de commissaris. Zelf heeft hij recent een aantal successen geboekt bij de opheldering van ruim vijftien grotere misdaadzaken. Zaken waarbij ook leden van de Pardi-stam betrokken zouden zijn geweest. “U zult hen zien.”
Mishra's ruime werkkamer op het politiebureau in District West getuigt van Mishra's populariteit. Als een huisarts tijdens spreekuur, zo schrijft hij het ene na het andere briefje uit, bedoeld om de smeekbeden van de bezoekers door te verwijzen naar zijn ondergeschikten.
“Het is hier een gekkenhuis”, zegt hij. “Soms komen er driehonderd mensen op een dag.” Een grote man van middelbare leeftijd staat snikkend voor zijn bureau. Zijn dochter is de zelfmoord ingedreven, hij wil dat Mishra de schoonfamilie arresteert. Briefje. Een dikke vrouw, met haar rechterarm nog in het verband en ondersteund door haar tengere dochter, heeft een fotoboek meegenomen als bewijs voor al het leed haar aangedaan. Mishra bladert, glimlacht, en verwijst.
Maar het gaat Mishra vooral om de Pardi's. “U zult hen zien.” Eerst wil de commissaris vertellen. “Pardi's zijn ongeschoolde mensen. Het is erg moeilijk hen te ondervragen, ze doen steeds alsof zij je niet begrijpen. Ze geven niet makkelijk toe, ook niet als ze geconfronteerd worden met de bewijzen van hun misdaad.” Geconfronteerd? Bedoelt Mishra gemarteld? “Nee, geconfronteerd. Wij slaan niemand.”
Gaurav Kala is daar niet zo zeker van. Hij is een Indiase misdaadjournalist, die onderzoek heeft gedaan naar de Pardi's. “Zij zijn van niets en niemand bang”, zegt hij. “Al op jonge leeftijd worden zij gehard. Bovendien zijn ze buitengewoon bijgelovig. Ze opereren volgens min of meer vaststaande rituelen. Hun lef is grenzenloos, ze denken dat hun niets kan overkomen. Als ze moeten moorden, moorden ze.”
Het patroon van een Pardi-misdaad, blijkt uit verslagen van opgeloste misdaden, kent inderdaad zijn vaste kenmerken. Pardi's kiezen de slachtoffers voor hun roofdaden bij voorkeur aan de rand van donker, bosachtig gebied. Voor zij op pad gaan, stoppen zij zich vol met drank en drugs. Zij kleden zich tot op hun ondergoed uit en smeren hun lichamen in met een bepaald soort olie. Zij zijn enkel uit op geld en juwelen. Wie de pech heeft hen tijdens de misdaad voor de voeten te lopen, wordt neergeslagen met een koevoet, hun enige wapen.
“Typisch genoeg”, zegt Kala, “ontlasten zij zich altijd op de plek van de misdaad. Alsof zij daarmee ongrijpbaar zijn. Daarna rennen zij ervandoor en laten zich maanden niet meer in de stad zien.” Dat laatste maakt het lastig met de beruchte criminelen in contact te komen. Maar commissaris Mishra heeft onlangs een van de leden van de Pardi-stam weten te arresteren. “U zult hem zien.”
Daar zit hij dan, gehurkt op de grond, tijdelijk weggevoerd uit zijn cel. J.S., een kleine man van 23 jaar. Grote ogen kijken onderzoekers en bezoeker aan. De deur naar de straat staat open. Niemand is bang dat S., verdacht van moord, zal ontsnappen. Hij laat de belangstelling gelaten over zich heen komen en vertelt in het Hindi over zijn eerdere celstraf wegens diefstal.
Is hij de schrik van de middenklasse, de man die zonder mededogen moordt? “Als je wordt aangevallen, moet je je verdedigen”, zegt een nuchtere S. Waarom hun bizarre rituelen? “Wij geloven in de goden, dus slachten wij voor hen een geit.”
Is hij soms jaloers op de rijkdom van de stedelingen, die hem niet is gegeven? “Als wij in hun positie zouden verkeren, zou ons dat zeer gelukkig maken. Maar dan zouden er wel weer anderen zijn, die uit zijn op onze rijkdom.” Het is gezien.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.