DEN HAAG - Hoewel PvdA-leider Kok in zijn Den Uyl-lezing het liberalisme afschildert als de grote tegenhanger van de sociaal-democratie, ontpopt hij zich in dezelfde rede als een onversneden liberaal. Kok heeft in zijn visie op de verhouding tussen staat, samenleving en markt het denken overgenomen van de twee partners in de paarse coalitie, VVD en D66.
Deze stelling poneert prof. mr. dr. J. P. Balkenende, stafmedewerker van het Wetenschappelijk instituut van het CDA, in het blad Christen-democratische verkenningen.
Balkenende laakt in het stuk de 'gedateerde' toekomstvisie van Kok. Hij richt zijn pijlen vooral op de tegenstelling die de PvdA-leider schetst tussen het liberale streven naar de minimale staat, versus het sociaal-democratisch doelwit van de actieve publieke sector. Door te zwijgen over organisaties als vakbeweging, werkgeversorganisaties en milieugroepen miskent Kok de grote rol die maatschappelijke groepen in de Nederlandse samenleving spelen, meent Balkenende. “Kok heeft een traditionele visie die het aloude staat-marktdenken niet overstijgt.”
Als frappant voorbeeld van dat belang wijst Balkenende op de grote invloed die de werkgevers- en werknemersorganisaties op de loonvorming hebben. Onderzoek wijst uit dat hoge lonen die zich niet door de werking van de markt laten rechtvaardigen maar louter het gevolg van privileges zijn, paradoxaal genoeg vooral voorkomen in landen met een Angelsaksisch, volledig volgens de marktwetten ingericht model. Dat soort privileges komen in onze overlegeconomie niet voor, dank zij het controlerende effect van het overleg van werknemers en werkgevers.
Aan de overlegeconomie dankt Nederland bovendien zijn gematigde loonontwikkeling, waarmee de organisaties van werknemers en werkgevers ook het algemene belang van een evenwichtige ontwikkeling van de economie dienen.
Met zijn zwart-wittegenstelling van de overheid versus de markt reduceert Kok de mensen tot staatsburgers of consumenten, meent Balkenende, die daar tegenover stelt dat ze in de eerste plaats leden van de samenleving zijn. Balkenende vindt dat mensen de zekerheid van hun bestaan in toenemende mate onderling in hun gezinnen, bedrijven en organisaties zullen veiligstellen, nu wet- en regelgeving deze zekerheid steeds minder garandeert. Balkenende: “Naast het prijsmechanisme van de markt en de regelgeving van de overheid is er een derde weg voor ordeningskwesties, namelijk die van de maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Hij wijst bijvoorbeeld op afspraken tussen bedrijven ten behoeve van het milieu, tussen werkgevers en werknemers voor de werkgelegenheid, tussen omroepen omwille van de kwaliteit van hun uitzendingen.
“Kok gaat aan deze derde weg volledig voorbij.” De PvdA-leider stelt zich volgens Balkenende met het negeren van de maatschappelijke organisaties op een lijn met de liberalen die voor het maatschappelijk middenveld geen rol zien weggelegd: “Zijn visie op de verhouding staat-samenleving-markt is doortrokken van een liberale nestgeur.”
Balkenende stelt Kok de kersttoespraak van koningin Beatrix ten voorbeeld. Beatrix waarschuwt daarin dat een 'sociaal weefsel' onmisbaar is om de samenleving bij elkaar te houden: “Voor het doorbreken van onverschilligheid, het stimuleren van burgers hun stem te laten horen en het betrekken van de mensen bij maatschappelijke ontwikkelingen zijn organisaties die gemeenschapszin gestalte geven onmisbaar.”
Het stuk van Balkenende kan gelezen worden als een antwoord van de christen-democraten op de Den Uyl-lezing, waarin Kok met geen woord repte over het christen-democratische aandeel in de Nederlandse politiek. De auteur meent dat het CDA zich in de oppositie kan profileren als tegenbeweging van de liberale richting die Kok met VVD en D66, zou inslaan. Balkenende: “Uw economische orde is de onze niet. Zou dat niet een leidraad kunnen zijn van een herkenbare chisten-democratische oppositie?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.