*

 
dossier

Archief

theater

AREND EVENHUIS − 09/05/98, 00:00

LEUVEN - Een elektronisch bliepend speelgoedapparaatje, niet groter dan een handpalm, kan een bloedirritant communicatiemiddel zijn. Pierelúút, pierelúút, pierelúút! Vooral als dat het enige teken van leven is, waarmee iemand zijn bestaan kenbaar moet maken. Die ondankbare rol is weggelegd voor Reinhilde Decleir (zus van Jan) als Clara in Thomas Bernhards 'Voor het pensioen'.

De Blauwe Maandag Compagnie speelt 'Voor het pensioen' nu in België en Nederland, en heft zichzelf met deze voorstelling ook op: na de fusie met de Koninklijke Nederlandse Schouwburg Antwerpen heet het Vlaamse toneelgezelschap van oprichter en regisseur Luk Perceval voortaan 'Het Toneelhuis'. Het afscheid van de Blauwe Maandag Compagnie (ooit zo gedoopt omdat 's maandags de schouwburgen gesloten zijn) krijgt nog een echo met de imponerende Shakespeare-bewerking 'Ten oorlog', maar dat is wegens binnen- en buitenlandse triomftochten bij wijze van herneming.

Waar de met tientallen dubbelrollen bezette 'Ten oorlog' overgutste van water, bloed, taalkundige uitbundigheid en uitvoerige tijdsspanne, is 'Voor het pensioen' een beknopte, maar tot een mokerslag samengebalde woedeuitbarsting voor drie spelers.

Net als Bernhards 'De wereldverbeteraar' staat 'Voor het pensioen' strak van wat je wereldhaat kunt noemen. Alles en iedereen wordt rot gescholden; of het nou om socialisten, medici, journalistiek ('je krijgt een totaal verwoest gezicht van die gazetten!'), huwelijk ('mensen smachten naar hun echtelijk ongeluk'), staatsvorm ('democratie is boerenbedrog') of een verwerpelijke stad als Parijs gaat. Maar het allerergste zijn natuurlijk de joden; die hebben alles op hun geweten. Met 'Voor het pensioen' schreef Bernhard een opdat-wij-niet-vergeten-stuk, ook al verbood hij tot op de dag van vandaag uitvoeringen van zijn werk voor zijn Oostenrijkse landgenoten.

Elk jaar viert voormalig SS-officier en huidige president van de rechtbank Rudolf, samen met zijn zussen Vera en Clara, nog steeds de verjaardag van Himmler door op diens 'uniek gedachtengoed' het glas te heffen. Dat hij het met zo'n achtergrond tot Oostenrijks rechter wist te brengen, is eerder vanzelfsprekend dan verbazingwekkend; hij verfoeit nog steeds die tien jaar van 'verstoft kelderbestaan' waarin hij als na-oorlogse nazi moest 'onderduiken'.

Ondanks het heldere toneelbeeld (achterin een stalen kast, een aluminium trap, een lichtscherm met rood voorbij schietende regie-aanwijzingen) is de huiskamer van de broer en zijn zussen zo bedompt en verstoft als hun eigen breinen. Het is Oostenrijk in het klein, waarin incest, hang naar de nazi-tijd, afgunst en permanente argwaan welig tieren. De door de hele voorstelling aanhoudende kift & kijf wordt slechts doorbroken op het moment dat de rechter zijn fotoboek over de oorlogsjaren doorbladert. Dan verstomt zijn geraas en gevloek, en zit hij als een gulzig kind te kwispelen. Commentaar bij foto's van executies: 'Wat een schone bomen!' (In de Letter & Geestbijlage vóór Dodenherdenking stond een vrijwel identiek plakboekverhaal, dat Bernhards dramatische fictie in werkelijkheid overvleugelde.)

De huiselijke hiërarchie is als een schrikbewind: zodra de rechter thuiskomt, heeft niemand behalve hijzelf meer wat te vertellen. De zusters sidderen van angst, ontzag en seksuele aanbidding. Op haar beurt beschimpt en vernedert Vera haar zwijgende zus Clara, die slechts rondjes in haar invalidewagentje kan rijden, en met haar speelgoedapparaatje tergend commentaar bliept. De sfeer is permanent verziekt, door en door rot. Aan een verkrachting ontkomt de invalide Clara niet, maar ze mag al blij zijn dat haar broer niet ook het geweer dat hij op haar hoofd zet, afschiet.

Thomas Bernhard laat niets te raden of te fantaseren over, nergens gloort ook maar een sprankje hoop; de oppering dat het met de mensheid ooit nog goed kan komen kun je na twee minuten al beter definitief uit je hoofd zetten. Die zwartgalligheid, eenduidigheid en beukende inhamering dat slecht louter slecht en niets dan slecht is, maakt Bernhards werk ook log.

Terecht wijzigde regisseur en bewerker Perceval de oorspronkelijke ondertitel 'Komedie van de Duitse ziel' in het meervoudige en niet alleen in Vlaanderen trefzekere 'Dietsche ziel'. Ondanks die logheid lukt het Perceval met zijn driekoppige troupe om enige (veel kan nooit bij Bernhard) luchtigheid in de voorstelling te krijgen. Mijn weerzin tegen travestie verdween al na twintig seconden: de Vera van Jan Bijvoet, in jurk en nota bene met overslaande mannenstem, is van een wisselende serpentigheid en onderkruiperigheid die overtuigen. Bijvoet is in verschillende betekenissen een lenig, behendig acteur. Net zo vals uit z'n eigen hitserij of temerij kronkelend als Vera zelf, waarin ook nog Tante Sidonia te herkennen valt. Soms over de rand van koddigheid heen, maar die dwingende Oostenrijkse duitsigheid van Bernhard mag ook wel eens theatraal pootje gelicht.

Rechter Dimitri Dupont daarentegen is van gewapend beton. Niet alleen één homp duitser dan duits mensenvlees met jagerspetje en in kennelijk onvermijdelijke Kniehose, maar ook nog eens in windtunneltoonzetting en met een levenslang vergiftigde oogopslag. Pas bij het applaus viel te zien dat zijn ogen ook uiterst vriendelijk de wereld kunnen inkijken. Maar dat viel buiten de regie-aanwijzing.

mailIcon print |