Diverse voorspellingen ten aanzien van de elektronische snelweg zijn sterk afhankelijk van de mogelijkheid om computers in te zetten voor intelligente taken. Van de digitale butlers van Nicholas Negroponte tot en met de filters die moeten gaan zorgen voor relevantie, fatsoen en soms zelfs rechtshandhaving, voor de computer lijkt een belangrijke inhoudelijke taak weggelegd in onze digitale toekomst. En in de praktijk lijkt die toekomst al dichtbij: heeft niet Gary Kasparov onlangs een schaakmatch verloren van de computer Deep Blue?
Vanaf het begin van het computertijdperk in de Tweede Wereldoorlog hebben onderzoekers getracht de computer in te zetten voor intelligente handelingen. En in het begin was het optimisme groot. Al in de jaren vijftig waren de voorspellingen enthousiast. Binnen tien jaar zou de computer de mens verslaan bij een typische intelligente taak als schaken en niet lang daarna zouden superintelligente computers de mens ver achter zich laten.
De mythe van de slimme computer is nog niet dood, maar tot nu toe is er van al die voorspellingen bitter weinig terecht gekomen. Miljarden zijn er gestoken in onderzoek op het gebied van artificiële intelligentie, de resultaten zijn echter matig, Deep Blue ten spijt. Want niet alleen bleek het schaken van mensen iets heel anders te zijn dan het rekenen door digitale computers, andere taken (vertalen, selecteren etc.) bleken nog minder geschikt te zijn om via discrete regels en feiten te worden gemodelleerd.
Dat computers slim zijn is een mythe die veel ouder is dan computers zelf. De mythe van de slimme computers heeft veel te maken met ons geloof in logica en ratio als maatstaf voor intelligent gedrag. Ons geloof in logica als maat voor intelligentie, als middel om tot kennis te komen, is terug te voeren op de Griekse filosofen, de grondleggers van millennia westerse cultuur. Vooral Plato geldt hier als belangrijke grondlegger. Sinds Plato is het in onze cultuur ingebakken dat intelligentie en logica nauw verwant zijn en dat ze bovendien de beste weg vormen tot het kennen van de 'onderliggende werkelijkheid'. De filosoof Whitehead omschreef onze cultuur wat dat betreft al eens als 'vijfentwintig eeuwen voetnoten bij Plato'.
Het is ironisch: onze fascinatie met logisch redeneren hangt samen met het feit dat we er als mens eigenlijk heel slecht in zijn, ook al zijn we er het beste in van alle dieren. Een logische puzzel maken, schaken en wat dies meer zij, het is voor ons en meetlat voor intelligentie omdat het moeilijk voor ons is, niet omdat het makkelijk is. En nu de machine die dergelijke logica met schier oneindige snelheid kan uitvoeren, is gearriveerd, lijkt de tijd van de superintelligentie nabij te zijn.
De conclusie die zich na enige tientallen jaren opdringt, is echter eerder omgekeerd: menselijke logica is het topje van een ijsberg van vage analogieën en contradicties. Emoties zijn niet een samenraapsel van complexe logica, logica is eerder een samenraapsel van vage emoties. En wat veel mensen op hun klompen aanvoelen, namelijk dat emoties fundamenteler en sterker zijn dan de ratio, blijkt zelfs bij het door mensen uitvoeren van logische activiteiten waar te zijn.
Schaken is daarvoor een goed voorbeeld: terwijl Deep Blue een rijstebrijberg van honderden miljoenen posities doorrekent, baseert Gary Kasparov zich op een 'gevoel' over de stlling. Hij denkt per zet maar aan enkele honderden stellingen, maar wel aan die paar honderd die er toe doen. Een moeizame logische toplaag, gebouwd op een zeer effectief fundament vol tegenstrijdige vaagheden.
Een en ander betekent natuurlijk niet dat domme maar zeer snelle digitale systemen geen invloed op onze samenleving kunnen hebben. Het lijkt er op dat er werelden van toepassingen mogelijk zijn die wij niet voorzien hebben, misschien zelfs wel vooral doordat we eigenlijk heel slecht zijn in dat massale discrete geredeneer. Als wij artikelen in een zoeksysteem willen onderbrengen doen we dat op basis van begrip van de inhoud. Er is geen haar op ons hoofd die er aan denkt om woorden te gaan zitten tellen. Maar dat is typisch iets wat de computer wel kan en dat leidt tot geheel nieuwe toepassingen die ongeveer zo intelligent zijn als een telefoonboek op cd-rom, maar wel erg handig.
Er zit kennelijk iets fundamenteels in onze behoefte om de Daniël C. Dennets en Marvin Minskys van deze wereld te willen geloven, in weerwil van de feiten. Zij bieden immers een beeld van een wereld die begrijpelijk, consistent en uiteindelijk logisch is, waar onze realiteit, ja zelfs onze normen en waarden, uiteindelijk vaste grond onder de voeten hebben. De ongrijpbare realiteit van de Wittgensteins van deze wereld valt bij ons niet in goede aarde.
Men kan natuurlijk aan de grenzen van digitale systemen trachten te ontsnappen door gebruik te maken van niet-digitale computers. Dat is op zich een aardige gedachte (en in de praktijk gebeurt het ook al), ware het niet dat de elektronische snelweg nu juist gebouwd is op de voordelen van de digitale techniek (betrouwbaarheid, reproduceerbaarheid) en dat niet-digitale technieken die voordelen om zeep helpen. Het is als met zwanger zijn: iets is of digitaal of niet, digitaal is een absoluut begrip. Het succes van de analoge aanpak betekent daarom nog niet een uitkomst voor de digitale dilemma's.
Overigens is zelfs bij een onwaarschijnlijk succes van artificiële intelligentie op (digitale) computers het probleem niet uit de wereld. Want wat te doen met intelligente computers? Hebben ze rechten? Gaan ze niet dezelfde positie innemen als mensen ten aanzien van waar ze hun tijd aan willen besteden? Dreigen we dan niet weer slavernij in te voeren? Kortom, als ze echt intelligent zijn, wat lost dat dan eigenlijk op?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.