*

 
dossier

Archief

Geen gouden bergen, maar groene bergen

PAUL ROSENMOLLER − 17/01/97, 00:00

“Ik vermoed dat het in de toekomst niet zal gaan om snelle auto's en kratten champagne, maar om elementaire behoeften als rust, schoon water en genoeg ruimte,” schreef de Duitse cultuurfilosoof Hans Magnus Enzensberger zaterdag in Letter & Geest. Dinsdag reageerde Eimert van Middelkoop (GPV). Vandaag Paul Rosenmöller, fractievoorzitter GroenLinks.

Het lijkt erop dat Enzensberger niet meer gelooft in enig sturend vermogen van de moderne samenlevingen. En al helemaal niet dat de politiek nog als een bok op de doos van Pandora kan zitten om zo het uitzwermen van de moderne plagen te voorkomen. Ik zou wat meer optimisme aan de dag willen leggen.

Zijn historische verhandeling over de luxe met een blik op de toekomst beschouw ik als een zedenschets van het huidige tijdperk. Een tijdperk waarin we in de westerse wereld de overgang meemaken van een samenleving die werd gedomineerd door materiële waarden naar één, geregeerd door postmateriële waarden.

Vroeger waren het vooral schaarse goederen met een stevig prijskaartje die begerenswaardige luxe waren. Nu worden dat steeds meer immateriële levensbehoeften als rust, ruimte, tijd, aandacht, milieu en veiligheid. Enzensberger beweert dat ze ook de status van luxegoederen zullen krijgen. Dat wil zeggen nooit bereikbaar voor de grote massa. Waarbij Enzensberger als onveranderbare premisse aanneemt dat de luxe altijd zal blijven wat hij was: een hardnekkige tegenstander van de gelijkheid.

Die laatste bewering lijkt mij onjuist. Dat wij steeds meer aandacht kunnen geven aan postmateriële waarden komt doordat we er juist in deze eeuw in geslaagd zijn om dankzij hardnekkige politieke verankering van het gelijkheidsbeginsel de welvaart te verdelen, zodat alle primaire levensbehoeften (genoeg te eten, schoon drinkwater, een dak boven het hoofd, verzekeringen) geen luxegoederen meer zijn. Het is vooral de opkomst van de linkse beweging geweest die daar door agendering van de sociale kwestie voor heeft gezorgd. Deze helft van het verhaal - hoe luxegoederen gemeengoed zijn geworden - negeert Enzensberger. Hij doet het voorkomen dat het alleen een uitkomst is van het kapitalistische streven om door productiegroei van iedereen een luxe beest te maken.

Dat is jammer, want hierin ligt de sleutel om ook te voorkomen dat postmateriële waarden onbereikbare luxegoederen worden. Ook nu gaat het erom net als bij de sociale kwestie dat er een politieke vertaling komt. In die zin was het essay van Enzensberger, als het gaat om zijn toekomstvoorspelling, voor mij zelfs oude koek. Want de groene internationale politieke stroming waartoe ik mij reken, is al geruime tijd bezig om de ecologische kwestie in het hart van het debat te plaatsen.

Kernbegrippen van de ecologische kwestie zijn juist het recht op rust, ruimte en een schoon milieu. Wat dat betreft valt het essay van Enzensberger samen te vatten met de succesvolle verkiezingsleuze van de Zweedse groenen: geen gouden bergen maar groene bergen.

Wat opvalt is dat de traditionele politieke hoofdstromen (socialisme, liberalisme en christen-democratie) weinig sensibiliteit aan de dag leggen voor dit nieuwe politieke waardenpatroon. Alle drie blijven ze gevangen zitten in het oude schema van meer materiële productie en welvaart. Waarmee ze als een katalysator werken die de postmateriële waarden schaarser maakt. Terwijl het nu juist de politieke kwestie is om deze schaarste te voorkomen. Waarbij als complicatie geldt dat materiële luxe deels kon verdwijnen door productiegroei en vulgarisering (naast champagne, goedkopere belletjes onder de knalkurk van iedere wijnstreek). Bij inmateriële waarden is deze oplossing onmogelijk of juist een bedreiging op zich. Zo betekenen meer auto's en meer vliegtuigen ook minder ruimte en rust.

Dit vraagt om een ecologische omwenteling in het economische denken door maatregelen zoals de vergroening van het belastingstelsel (grondstoffen en kapitaal duurder, arbeid goedkoper), het bouwen van duurzame huizen, extensivering van de landbouw en minder nodeloos gesleep met goederen.

Ik wil hier ook kort Enzensbergers waarden van aandacht, tijd en veiligheid aanstippen, omdat die meer dan de ecologische leefomgeving het even belangrijke sociale klimaat bepalen. Ook daar zijn politieke ingrepen mogelijk om schaarste te voorkomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om moderne zorgarrangementen, waarbij deeltijdwerken een oplossing is. Het recht daarop is verleden jaar in een initiatiefwet van mijn hand vastgelegd. Zodat aandacht en tijd voor opvoeding, verzorging en ontplooiing voor iedereen als keuze beschikbaar komen.

In het algemeen vragen postmateriële waarden om een herwaardering van collectieve voorzieningen en de maakbaarheidsidee in een eigentijds jasje. Als het namelijk allemaal aan het private wordt overgelaten, dreigen deze waarden uiteindelijk toch nog dure hebbedingetjes te worden. Als er geen collectieve veiligheid op straat is, dan kunnen de rijkere buurten met hekwerken en videobewaking inderdaad, zoals Enzensberger aangeeft, een schijn van veiligheid kopen.

Uiteindelijk hebben we een aansprekend politiek visioen nodig. En dat is geen Agenda 2000+ van beton en asfalt. Het ligt eerder in een beeld besloten als 'onthaasting' waarin alle postmateriële waarden samenkomen. Dit is overigens in groene kringen een al langer circulerend begrip, waartoe milieuminister De Boer - althans waar het gaat om de werkdrift van haar ambtenaren - zich onlangs ook toe bekeerd heeft, zonder dat ze zich afvroeg hoe zich dat verhoudt tot het dominante paarse beleid van een 24-uurs economie en tweede luchthavens.

Het is jammer dat Enzensberger, die eerder vondsten deed als 'de politicus van de terugtocht', hier zijn politieke verbeeldingskracht smoort in zijn scepsis. Zolang de postmateriële agenda nog niet aan de macht is, kunnen we ons in ieder geval behelpen met wat de Duitsers noemen innerliche Immigration. Daarbij is het niet velen in onze seculiere samenleving gegund om als de calvinist van Middelkoop genoegen te beleven aan een dagdroom over kathedralen. Maar zijn voorbeeld geeft wel aan dat een herwaardering van het genot van cultuurgoederen en het levensbeschouwelijke (bijvoorbeeld filosofie in het vaste onderwijspakket) gewenst is. Overigens moet onze samenleving niet alleen ruimte bieden voor de luxe van onthaaste soberheid maar ook voor immateriële uitspattingen. Want voor een hedendaagse popgroep op zoek naar een overlastvrije oefenruimte is het recht op lawaai een even legitieme luxe als het recht op stilte.

Tot slot moet het mij van het hart dat het artikel van Enzensberger mij deed beseffen dat kennis van de Nederlandse taal ook een niet te versmaden luxegoed is. In zijn boek 'Het rijk van de schaarste' heeft de cultuurfilosoof Hans Achterhuis deze thematiek veel helderder uiteengezet. Het wordt tijd dat Nederland niet alleen bulktransporten maar ook geesteskinderen naar Duitsland gaat exporteren.

mailIcon print |