Burgemeester Peper van Rotterdam droomt van een prachtige stad, zo rond het jaar 2005, waar alles koek en ei is. Maar dan moet iedereen er de schouders onder willen zetten en daar mankeert het nogal eens aan. Zo nu en dan een woede-uitbarsting kan helpen, merkte Peper.
De stad zal veilig zijn en er zullen heel veel huizen en gebouwen staan, dicht op elkaar gebouwd. Want dat hoort zo in een grote stad, zoals daar ook een echte universiteit bij past, waar je alle vakken-van-de-wereld kunt studeren. De stad van zijn dromen is een beetje verslaafd aan de muze en de bewoners denken niet benepen. Ook hebben ze geen last van kapsones, want de mensen in de regio mogen ook delen in de geneugten van hun mooie stad. Ledigheid komt er niet voor, want voor iedereen zal er werk zijn. De straten moeten elke dag weer schoon en bovendien is er de imposante haven, die niet alleen de stad, maar héél Nederland brood op de plank bezorgt. Die haven, nu al de grootste van de wereld, zal over tien jaar een tweede Maasvlakte hebben. Op een plek, die nu nog zee is.
Ook voor de bomen is er plaats in de stad. En sportvelden en sporthallen niet te vergeten. Sport en spel brengen mensen bij elkaar, weet de burgemeester uit de tijd dat hij zelf nog voetbalde. En daarom droomt hij ook van een stad van de spelende mens.
In 2005 moet de stad van burgemeester dr. Abraham Peper er zo uitzien. Die termijn heeft hij niet zomaar gekozen. Tien jaar, dat is zo ver weg dat hij al z'n idealen en dromen erop kan loslaten. Maar toch ook weer zo dichtbij, dat hij vandaag nog moet beginnen met acties, noodzakelijk om zijn droomstad werkelijkheid te laten worden.
Het is negen uur in de avond. Buiten glinstert de feestverlichting in de bomen op de Coolsingel. In zijn kamer op het Rotterdamse stadhuis filosofeert en droomt de burgemeester er al anderhalf uur op los. Een bezorgde bode heeft broodjes laten brengen, omdat Peper nog niet heeft gegeten. Eten is niet goed voor hem, zegt hij afwerend en wrijft over zijn buik. Maar hij kan niet nalaten te kijken wat er voor beleg op zit. “Hmmm, dat ziet er appetijtelijk uit.” Gretig hapt hij in het broodje met vlees.
De burgemeester van Rotterdam verkeert in 'glanzende vorm', zegt hij zelf. “Als ik naar mezelf kijk, vraag ik me soms af: wat doe ik nog in Rotterdam na bijna veertien jaar? Maar ik borrel, loop over van energie, heb enorm veel zin in alles wat hier gaande is. Ik ben heel erg bezig met denken over het gezicht van deze stad en dus Nederland.” Z'n stemming was bij eerdere gesprekken wel eens anders, erkent hij. De lange monologen waarop hij het patent lijkt te hebben, waren toen vaak één monotone klaagzang over iedereen en alles wat er niet deugde in dit land. En dat was veel, heel veel. “Maar ik ben uit het dal waarin we vijf jaar lang zaten. Dat dal moeten jullie niet persoonlijk duiden, hoor. Ik doel op het hele klimaat van onverschilligheid, verwarring en post-modernistische depressies. Ik voel aan de dingen die om me heen gebeuren, dat de samenleving weer wat wil.”
Die signalen mogen (nog) niet iedereen opvallen, Peper bespeurt ze dagelijks om zich heen. “Ik zie een ongehoorde burgerzin, een ongehoord enthousiasme. Ik zie dat jonge mensen zich druk maken om de stad. Pas nog was hier een jongeman die een nieuw literair tijdschrift wil uitbrengen. Ik zie allerlei zingevende notities ontstaan. Ik zie dat mensen weer hun lot in eigen handen nemen en sta daarin niet alleen. Daar ontleen ik een geweldige inspiratie aan. Aan de politici is het nu, daar bruggen tussen te slaan. Zij moeten het cement aanbrengen. Maar daarvoor moeten ze hun toko verlaten. Wees nou niet zo deskundig, niet zo specialistisch, denk ik vaak. Ik ben zelf een modaal type dat al die specialismen niet begrijpt. Maar die Tibetaanse gebedsmolen draait maar door.”
Het gesprek zou gaan over de ervaringen met paars en de effecten van dit kabinet met z'n hoge Amsterdamse-grachtengordelgehalte op de grote steden in het algemeen en Rotterdam in het bijzonder. De ervaringen lijken niet onverdeeld gunstig voor Rotterdam. Veel zaken die hoog op de verlanglijst stonden, zijn vertraagd of gingen aan de neus van de havenstad voorbij. Zo had Rotterdam graag de Europese ministersconferentie willen organiseren in 1997, maar die eer is Amsterdam gegund. Pogingen om tot culturele hoofdstad van Europa te worden uitgeroepen, verzandden al evenzeer op het Binnenhof.
In zijn laatste oudejaarstoespraak voor de havenvereniging sprak Peper zijn ergernis uit over de stroperige besluitvorming in Nederland - 'de traagheid van rinse appelstroop' - die haaks staat op het Rotterdamse élan. Waar Rotterdam bij wijze van spreken de spa al in de grond heeft gestoken voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte, wil het kabinet eerst nog een jaar lang discussiëren over nut en noodzaak van deze havenuitbreiding. Ook de smeekbede van Rotterdam om snelle maatregelen tegen het dichtslibben van de toegangswegen van en naar de haven, lijkt onvoldoende gehoord te worden in Den Haag. Wat betreft het drugsbeleid lijken de Rotterdamse voortvarendheid en vernieuwingsdrift al evenzeer te botsen met de stroperige Haagse politiek.
Maar Peper is deze avond niet in de stemming voor schimpscheuten richting Den Haag. We moeten zijn kritiek ook in een veel breder kader zien. Wat hij aan de kaak heeft willen stellen, is de 'institutionalisering van het gemak waarmee men in dit land dingen afwikkelt'. “Ik ben gebiologeerd door het fenomeen tijd. Wat mij in toenemende mate ergert, is het gemak waarmee we in Nederland tijd vermorsen. Ik ben ervan overtuigd dat bijna alle zaken kunnen worden afgehandeld in een derde van de tijd die er nu aan wordt besteed. Hoe snel het kan, hebben we vorig jaar gezien, toen de sneeuw in de Alpen ging smelten. Binnen twee maanden was beslist dat we de rivierdijken versneld op Deltahoogte willen hebben. Half Nederland kunnen we dempen met mensen die over de procedures gaan. Hóe je tot een beslissing komt, is belangrijker geworden dan dat je tot een beslissing komt.” Spontaan noemt hij oud-minister Harry van Doorn als lichtend voorbeeld. “Wat had die man dat goed door. Fantastisch. Harry zei altijd: 'Bram, wat doet die man? Waar werkt hij? Waar gaat het over? Wat wil hij nou? Een half A4-tje was voldoende voor Harry. Zo kan het, zo moet het óók'.”
De burgemeester noemt de 'stuitende traagheid' van de besluitvorming een luxe verschijnsel, uitwas van onze 'verwentraditie'. Het is een misvatting, verzekert hij, dat hij de inspraak om zeep wil helpen. “Ik wil de inspraak niet uitschakelen, maar juist voorschakelen. We moeten onze tijd veel beter organiseren. Anders wordt de afstand tot de gewone mensen die geen tijd hebben voor zoveel tijd die de bestuurders zich permitteren, nog veel groter.”
Al pratend betrapt de burgemeester zich erop dat hij weer opgewonden raakt over de armchair administration waarmee Nederland zo is behept. “Er is een onvoorstelbaar agendaprobleem en juist daardoor sterven zoveel zaken in schoonheid.” Deemoedig bekent hij dat ook Rotterdam op dit punt niet vrijuit gaat. De aanpak van het Schouwburgplein die tien jaar op zich liet wachten, de al meer dan twintig jaar voortkabbelende discussie over de luchthaven Zestienhoven. “Dat zijn de dossiers waarvan ook wij kunnen zeggen 'Hou nou eens een keertje op'.”
Het valt de burgemeester op dat het tempo van grote 'Haagse' beslissingen is afgenomen. “Het laatste grote gebaar is de aanleg van de Maasvlakte geweest, twintig jaar geleden. Iedereen zegt dat de ontwikkelingen zo snel gaan. Dan vraag ik me af: 'Hadden we niet allang weer een grote beslissing moeten nemen?' Natuurlijk zijn er grote en belangrijke investeringen gedaan. Voor Nederlandse begrippen heeft Rotterdam ook absoluut een snelle traditie. Maar ook wij zijn steeds afhankelijker geworden van onze omgeving. Ook wij hebben te maken met regelgeving, procedures. Er wordt zoveel gepraat, geluncht, gediscussieerd.”
Dat het allemaal sneller moet, staat voor Peper als een paal boven water. “Als je zaken in een tijdskader zet, heb je een doel. Dat schept duidelijkheid en bovendien geeft het een enorme kick om dat doel binnen de vastgestelde tijd te realiseren.” Uit ervaring weet hij dat woede-uitbarstingen nuttige instrumenten kunnen zijn om beslissingen te forceren. “Ik herinner me Katshoek, stukje Rotterdam waar alles gebeurde dat God heeft verboden. Toen ben ik boos geworden en ging in korte tijd de bezem er door heen. Maar let wel, maatregelen werken alleen als de tijd er naar is. Wanneer sla je toe en creëer je een draagvlak voor een beslissing? Die vraag is ook cruciaal.”
De actie Victor tegen de drugsoverlast, ingezet na de sluiting van Perron Nul, een ontmoetingsplaats voor junks bij het Centraal Station, is een ander voorbeeld van zo'n 'gesublimeerde woede-uitbarsing'. “Uit de politierapportages proefde ik dat er een hete zomer zat aan te komen. Er moest iets gebeuren. Victor heeft uiteindelijk enorm veel losgemaakt. De politie is weer naar de mensen toe gegaan, justitie heeft meer cellen gekregen, er komt een stadsbajes, de hulpverlening is door elkaar geschud, er wordt weer nagedacht over de behandeling van verslaafden. Zoveel. Tot wetgeving in de Kamer toe.”
Op dezelfde manier moeten bestuurders hun plan trekken voor het jaar 2005, meent de burgemeester. “Hoe willen we er in dit land dan voorstaan? Idealen en praktische haalbaarheid zullen op elkaar afgestemd moeten worden. Als we het daar over eens zijn, laten we de bevolking per buurt of wijk weten op welke voorzieningen ze wanneer kunnen reken. En dan gewoon aan de slag gaan en onderweg natuurlijk meten wat ervan terecht komt. Daar is het bestuur in Nederland nog niet erg aan gewend, maar zo moet het wel.”
Dat de tijd daarvoor rijp is, staat voor Peper vast. “De kiezers hebben zelf al het signaal gegeven bij de laatste verkiezingen dat het anders moet in dit land. Het CDA heeft 40 procent van zijn aanhang verloren, de PvdA een kwart. Het feit dat het Landbouwschap aan het kraken is en dat de Ser-adviezen formeel niet meer zijn verplicht, wijzen op een omslag. Ik had zelf vantevoren de uitslag van de verkiezingen op een papiertje geschreven en zat er akelig dichtbij. Ik was niet verrast, voelde dat er een revolte in de lucht hing. Wat er in 1994 is gebeurd, was nooit vertoond in dit land. Hebben we dat wel goed op ons laten inwerken?, denk ik vaak. Sommigen denken nu nog steeds dat die revolutionaire omslag even een kleine hiccup is en dat de pendule straks wel weer de andere kant op gaat. Maar die tijd van voor 1994 komt nooit meer terug. Wij noemen dat nu paars. Maar waar het in de kern om gaat, is dat de politieke partijen nooit meer zullen terugkomen in de vorm waarin we ze kenden. We kunnen straks niet meer zeggen: de PvdA staat hiervoor, het CDA vindt dat en de VVD dit. De politiek is portefeuillepolitiek geworden, ik noem dat tokoïsering. Als ik in de krant een kop zie over het omroepstelsel en de VVD, blijkt dat niet het standpunt van die partij te zijn maar van de fractiespecialist. Kok, Bolkestein en Van Mierlo zijn meer en meer politici geworden die hun eigen partij niet meer maken.”
De democratie moet spannend worden gemaakt. Een districtachtig stelsel, met een minumum aan structuur, zou de betrokkenheid van de bevolking kunnen vergroten en het kader voeden. Aan een ver doorgevoerde decentralisatie valt volgens de Rotterdamse burgemeester niet meer te ontkomen, op alle terreinen van de samenleving. “Er moet veel meer zelfbestuur komen. Of het nu om bejaardenhuizen gaat, waar je de mensen zoveel mogelijk zelf de dingen laat doen die ze nog kunnen, of om het grote-stedenbeleid. De grote steden zullen zelf moeten aangeven wat ze willen en nu afspraken moeten maken over dingen die in 2005 gerealiseerd moeten zijn. Dat is een heel andere aanpak, maar wel ongelooflijk motiverend.”
Maar de overgangsfase kan verwarrend werken, erkent de burgemeester. Zeker als het lokale bestuur een ander beleid voorstaat dan Den Haag. Neem de drugs. Vorig jaar stelde Rotterdam zich, als eerste stad, kandidaat om vanaf begin dit jaar onder strikte voorwaarden heroïne te verstrekken aan uitzichtloze 'gevallen'. Maar terwijl Rotterdam er gereed voor is, moet de Tweede Kamer eerst nog de drugsnota van het kabinet behandelen. En is de discussie over het experiment al weer uitgemond in een krachtenspel tussen voor- en tegenstanders van het legaliseren van drugs.
De burgemeester pleit ook in dit verband voor helderheid. Die proef is prima, vindt hij. Punt uit. “Maar dan spreek je over patiënten in een omheinde situatie. Verder wil ik niet gaan. Het mag nooit een opstap zijn naar legalisering. Ik ben van huis uit iemand die het de moeite waard vindt om mensen van de drugs af te houden. Ik ben geen gedoger vanuit het ongemak liberaal te willen zijn. Ik vind er ook iets fatalistisch in zitten, om te zeggen dat alles moet kunnen. Samen met Neelie (Neelie Kroes, zijn echtgenote, red.) heb ik de afgelopen tijd drugspanden bezocht. Ik was diep onder de indruk van de dramatische breuken die er zijn geweest in de levens van mensen en die tot hun verslaving hebben geleid. Ik vind niet dat je mensen moet opgeven en ik geloof ook niet dat we als samenleving voldoende hebben gedaan om de verslaafden te helpen. Liberalisering van het drugsbeleid in de zin van: laat maar waaien, nee, dat spreekt me absoluut niet aan. Ik vind dat we ons veel meer moeten verdiepen in genezing van de verslaving. Er komen ook mensen van de drugs af en dat geeft me hoop. Ik kan niet leven met het beeld van verslaafden die opgesloten leven in een reservaat.”
Peper krijgt meer en meer signalen dat op drugsgebied de tijd rijp is voor onorthodoxere maatregelen. “Ik vraag me af waarom we de familie van verslaafden niet vaker inschakelen en beter ondersteunen. Misschien moeten we wel een deel van het geld voor de hulpverlening naar de familie doorsluizen. Ik ken gevallen van ouders die hun verslaafde kind best terug willen nemen, mits ze ondersteuning krijgen. Nu is de samenleving ook duizenden guldens kwijt aan zo'n kind, waarom niet een deel van dat bedrag aan de ouders gegeven? Het is toch gek dat we heel veel geld stoppen in de drugshulpverlening zonder de resultaten te kennen, laat staan te meten. Wat me soms ook opvalt is de onkritische houding die we hebben ten opzichte van hulpverleners en mensen die goed doen.”
De opstand van de Rotterdammers is ook de opstanding van de stad. Over tien jaar moet de metamorfose zijn voltooid. Burgemeester Peper wil dat hele proces meemaken. “Nee, ik wil niets anders meer, ik ben een ambitieloze man, maar blijf sprokkelig leergierig. Ik lees, ik schrijf, ik doe, ik denk, ik heb er enorm veel zin in. Als je boven deze stad vliegt of in de haven vaart, zie je de allure van Nederland.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.