*

 
dossier

Archief

expositie

Door: redactie − 13/05/95, 00:00

T/m 18 juni, de Nieuwe Kerk Amsterdam, dag. 11-17. Cat. ¿ 49,50 (paperback)/¿ 65,-.

Vanuit zijn cel schreef Van Pelt, die vastzat wegens hulp aan het verzet en onderduikers, aan zijn vrouw en dochter op een velletje van ongeveer tien centimeter hoog en twee keer zo breed: “Ook zei ze wel/wat doet die pappie nauw/En ook nog/Ik ben zoo alleen/ook je pappie/is nu alleen.”

Op een ander krabbeltje tekende de binnenhuisarchitect zich ten voeten uit: met stoppelbaard, smal gezicht en een schort voor. Zijn ironische commentaar: “Gevangene Bas van Pelt heeft promotie gemaakt.”(hij was schoonmaker geworden, red.). In de rechter bovenhoek tekende hij een wc-emmer in een stralenkrans.

De indringende strook met tekeningen en briefjes is een van de ruim 230 werken op deze expositie, die als eerbetoon is bedoeld voor alle kunstenaars die omkwamen tijdens de tweede wereldoorlog.

Voor de eerste wand met schilderijen staat een vitrine met het handgeschreven gedicht van Jan Campert uit 1941, waaraan de expositie zijn naam ontleent (“Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht/die aan de tralies van den aldag rukt . . .”). Schuin daar tegenover bevindt zich het einde van de tentoonstelling na een route rond het priesterkoor. Op die plaats hangt alleen een foto en een tekst van Anne Frank.

Jan Campert en Anne Frank lijken ook de twee polen tussen welke een groot deel van de inhoud van de tentoonstelling gevangen kan worden. Hij staat symbool voor de volwassene die bewust koos voor het verzet. Anne Frank was een kind, die geen keuze had en alleen vervolgd werd om haar afkomst.

Bovendien was Campert voor de oorlog al een gevestigd literator, van wie je je afvraagt hoe hij zich zou hebben ontwikkeld, als hij niet in een concentratiekamp was vermoord. Haar dagboek getuigt van een groot talent, maar dat kreeg nooit de kans zich verder te bewijzen. Anne Frank zelf schreef (de tekst hangt naast haar foto): “Maar, en dat is de grote vraag, zal ik ooit nog iets groots kunnen schrijven, zal ik ooit nog eens journaliste en schrijfster worden.”

Het initiatief voor de expositie ging uit van de Stichting Kunstenaars in Nederland tijdens Oorlog en Bezetting. Zij telde totaal 120 van deze vroegtijdig afgebroken carrières of nooit echt ontloken talenten. Van de helft van de groep is hier werk te zien, noodzakelijkerwijs haast alleen beeldend werk: schilderijen, foto's, meubelen, glas, architectuurschetsen en een enkele tekst.

Geen onderscheid is gemaakt tussen joden en verzetsmensen. Terecht zijn ook de 'Exil-kunstenaars' meegenomen, die vóór de oorlog vanuit Duitsland naar Nederland vluchtten. In het boek dat bij de expositie hoort en dezelfde titel draagt, is echter van allen een biografische schets opgenomen en vaak ook een karakteristiek werk.

Hoe divers hun werk is, blijkt al uit de galerij, die volgt op de vitrine met 'Rebel, mijn hart'. Aan weerszijden van het gangpad staan schotten in een zaagtand-model met dertig zelfportretten. Baruch Laguna schilderde zichzelf met een licht-impressionistische toets, als een bedaagde heer van stand. Else Berg werkte in expressionistische stijl, met zwaar aangezette contouren en felle kleuren. Het naiëve zelfportret van Henk Henriët met vrouw, twee kinderen en zonnebloem ademt landelijke rust en warmte.

Gerrit van der Veen

Bij het beeldhouwwerk valt op dat de academische stijl overheerst. Dat geldt voor het gracieuze 'Hertje' en prinses Juliana's portret van Gerrit van der Veen, de man die het verzet leidde tegen de Kultuurkamer en gewapende overvallen pleegde op bevolkingsregisters. Het bronzen sierhek 'Radiozending', dat hij voor de Avro maakte, werd bij de voorbereidingen voor de expositie daar in de kelders teruggevonden. Het stelt de kruin van een boom voor, maar in de vorm van een ruit, waarin onder andere een haan, een pauw, en twee uilen de lof zingen van het toen nog jonge medium.

Ook de schilderijen van de nagenoeg vergeten Tinus van Doorn zijn het herontdekken waard. Onwerkelijke figuren tussen mens en dier in, opgezet in diepe kleuren, geven de doeken een vervreemdend effect. 'Stroper en Witte Maan' uit 1937 plaatst in sombere kleuren een gebochelde man en een teef met enorme tepels tegen een nauwelijks door de maan bijgelicht dennenbos. Uit het doek spreekt hoe bedreigd Van Doorn zich voelde. Toen het Duitse leger in 1940 zijn woonplaats Brussel binnentrok, pleegden hij en zijn vrouw zelfmoord.

'Rebel, mijn hart' kijkt ook nadrukkelijk naar Nederlands-Indië (het boek wijdt er een van de essays aan). Walter Spies schilderde de sawahs van Bali in een stijl die doet denken aan het magisch realisme. In het doek 'Thüringerwald' uit 1923 roept hij een sprookjessfeer op: een eenzame figuur trekt een slede door de sneeuw tegen een berg op. Het is nacht, over het dennenbos hangt een zilveren gloed.

De werken op het einde van de expositie grijpen je naar de keel. In kleine ruimten, opzij en van boven ingeperkt door gespannen textiel, hangt werk uit concentratiekampen en gevangeniscellen. De zelfportretten die de jonge beeldhouwer Cor van Teeseling in zijn dodencel maakte, geven zijn wisselende stemmingen weer. In één kruipt hij in de kraag van zijn jas en trui, zijn ogen staren weg, om zijn mond ligt een kleine trek.

De Joodse schilder/tekenaar Leo Kok was tweeëntwintig toen hij in 1945 stierf. In Westerbork legde hij het dagelijks leven vast in aquarellen en tekeningen. Een zelfportret laat zien dat hij een groot talent was. Maar ook hangt er die onuitgewerkte tekening: de veewagon.

mailIcon print |