LEIDEN - Wanneer literatuurcriticus en - docent Jaap Goedegebuure over de Statenvertaling (1637) van de Bijbel praat is het alsof hij het over een oude liefde heeft. Woorden als “bekoorlijk”, “exotisch” en “prachtig” komen dan plotseling naar voren in een voor de rest nuchter betoog. Hij erkent: “Ja, dat oude boek doet me wat”.
Goedegebuure, hoogleraar in theorie en geschiedenis van de literatuur aan de Katholieke Universiteit Brabant, is zelf afkomstig uit een gereformeerd bondsgezin. Dat blijkt echter niet de reden van zijn interesse in de Statenbijbel. “Toen ik opgroeide verruilden mijn ouders het bondsmilieu al snel voor een meer liberale vorm van protestantisme. Bij ons thuis lazen we wel dagelijks de Bijbel, maar niet de oude Statenvertaling.”
Vanwaar dan toch die belangstelling? “Als kind bracht ik veel tijd door op Tholen, bij mijn oma van moederskant. Zij was lid van de strenge Gereformeerde Gemeenten. Bij haar werd 's middags na de warme maaltijd en na het avondeten steevast uit de Statenbijbel gelezen. Zo leerde ik de oude vertaling goed kennen, moest soms zelf voorlezen.”
Nu, lang na dato en weggegroeid uit het geloof van zijn jeugd - “zonder de stuipen die je bij mensen als 't Hart, Biesheuvel en Siebelink tegenkomt” - blijkt Goedegebuure nog steeds enthousiast over de oude vertaling. “Het is echt prachtig Nederlands, zo ritmisch en melodieus. Daar is goed op gewerkt.”
Geconfronteerd met recente bezwaren in kringen van de Gereformeerde Bond, waar veel jongeren de Statenbijbel moeilijk tot volstrekt niet te begrijpen vinden, erkent Goedegebuure: “Sommige passages laten zich inderdaad erg lastig lezen. Dat komt enerzijds door de behoefte van de vertalers zo dicht mogelijk bij de Griekse en Hebreeuwse grondtekst te blijven, anderzijds doordat ze de originele tekst zelf niet altijd even goed begrepen. De huidige kennis van het Hebreeuws is vele malen groter dan toen.”
Wat de letterkundige Gerard Knuvelder in zijn befaamd historisch handboek “een monumentaal meesterwerk van vertelkunst” noemt, ontstond op instigatie van de synode van Dordrecht (1618-'19). Deze algemene kerkvergadering, bijeengeroepen om af te rekenen met de meer verlichte theologische opvattingen van de remonstranten, besloot ook tot een nieuwe bijbelvertaling. Want de behoefte onder gereformeerden was groot om zich met een eigen vertaling te onderscheiden van luthersen, dopersen en roomsen.
Omdat het project werd gefinancieerd door en in opdracht gebeurde van de Staten-Generaal, het 'parlement' van de Republiek, ging na tien jaar hard werken (1626-'35) het resultaat als Statenvertaling de geschiedenis in. Hoewel de invoering ervan hier en daar op verzet stuitte werd de nieuwe vertaling al spoedig in brede kring gemeengoed. Niet alleen bij de gereformeerden, maar ook onder doopsgezinden en zelfs bij remonstranten verdrong ze alle concurrenten.
Hoewel de vertaling een theologisch doel had, waren de vertalers en reviseurs (correctoren) vanaf het begin vastbesloten een taalgebruik te hanteren dat voor zoveel mogelijk geletterde Nederlanders acceptabel zou zijn. Niet gemakkelijk in een land dat een keur van dialecten (plaatselijk en streekgebonden) kende, en waar de eenheidstaal nog maar kort bezig was zich te vormen.
De vertalers onder leiding van de predikant Johannes Bogerman stelden van te voren resolutiën (richtlijnen) op met betrekking tot zaken als spelling, grammatica, het gebruik van homoniemen en andere taalkwesties, om zo tot eenduidigheid te komen. Men moest telkens keuzes maken uit de vele dialectvormen die beschikbaar waren. Daarbij koos men vaak voor zuidelijke in plaats van noordelijke vormen.
Dus werd het kiecken en geen kuiken, Heere en niet Heer, kinderkens en geen kinderen, zenden en niet sturen.
Oost-Nederlandse invloeden kwamen er nauwelijks in voor.
Had de oude Potgieter (1808-'75) gelijk toen hij stelde dat de Statenvertaling het Nederlands heeft geschapen? “Neen” zegt Marijke van der Wal, docent historische taalkunde en taalvariaties aan de rijksuniversiteit Leiden. “De Statenvertaling had zeker een groot aandeel in het tot standkomen van de Nederlandse standaardtaal, maar toch was ze bepaald niet de enige factor. Auteurs als Hooft en Vondel leverden een minstens even belangrijke bijdrage, net als de Nederlandse grammatica's en woordenboeken die geleidelijk op de markt verschenen.”
Wie denkt dat de vorming van de Nederlandse eenheidstaal pas ten tijde van de Statenvertaling is ontstaan vergist zich, aldus Van der Wal. Die ontwikkeling was toen al gaande. Om precies te zijn sinds het eind van de zestiende eeuw - de eerste Nederlandse grammatica verscheen in 1584 - en onder invloed van Renaissance en Reformatie, die het stimuleren van de volkstaal hoog in het vaandel voerden. Daarnaast speelde mee de economische behoefte aan een communicatiemiddel dat de eigen regio oversteeg.
Zo groeide onder de hogere burgerstanden in Holland - politiek-economisch-cultureel de voornaamste provincie - zoiets als een eenheidstaal. Deze bezat sterk Vlaams-Brabantse invloeden. Het gevolg was dat men in Noord- en Zuid-Holland het eigen rike inruilde voor het zuidelijke rijk en voortaan voor huis koos in plaats van huus.
Na de de Spaanse verovering van Antwerpen (1585), heeft de emigratie van Vlaamse intellectuelen en drukkers naar het noorden de zuidelijke taalinvloeden op het Noord-Nederlands - tegen het einde van de middeleeuwen begonnen - versterkt.
Van der Wal - “Ik ben gereformeerd, maar mijn ouders lazen nooit uit de Statenbijbel” - benadrukt: “Als we hier praten over de vorming van de Nederlandse eenheidstaal hebben we het over de schrijftaal. De uniforme spreektaal ontwikkelde zich veel langzamer. Tot ver in de negentiende eeuw sprak het overgrote deel van de Nederlanders dialect.
Wat de Statenvertaling betreft: die heeft er in hoge mate toe bijgedragen dat de geschreven eenheidstaal zich over het hele gebied van de Republiek ging verspreiden. Een geleidelijk proces waarbij, als gezegd, andere factoren eveneens een belangrijke rol speelden.''
In duizenden gezinnen was de Statenvertaling, naast de educatieve rijmbundel van 'Vader' Cats en wellicht de Heidelbergse catechismus, eeuwenlang het enige boekwerk dat men in huis had. Het regelmatig lezen ervan, ook op school en in de kerk, had tot gevolg dat het taalgebruik van de Statenbijbel doorwerkte in de verdere ontwikkeling van een nationale standaardtaal. Die kreeg overigens pas begin van de negentiende eeuw haar definitieve beslag.
Van der Wal: “Het enige dat heden ten dage nog zichtbaar is van de invloed die de Statenbijbel op de ontwikkeling van het Nederlands heeft gehad, zijn uitdrukkingen en zegswijzen als: de haren rijzen je te berge, je moet niet bij de pakken neer zitten, iets ter elfder ure doen, en de verzenen tegen de prikkels slaan. Maar de meeste mensen beseffen die bijbelse afkomst allang niet meer.”
En waarschuwend: “De Statenvertaling kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. Ze greep in taalgebruik en woordkeus voor een deel terug op eerdere bijbelvertalingen, maar overtrof die in consistentie, grondigheid en invloed.”
Jaap Goedegebuure legt uit: “Het archaïsch woordgebruik in de Statenvertaling dat er de oorzaak van is dat ook in orthodox-protestantse kring de jeugd zich ervan afkeert, blijkt anderzijds de reden waarom auteurs als Wolkers en Van 't Hart er juist zo mee weglopen. Het appelleert aan hun gevoel voor het exotische, het magisch-bezwerende. Van de gedragen, verouderde woorden ging voor hen een enorme poëtisch-metafysische bekoring uit.”
Die magische aantrekkingskracht zou volgens Goedegebuure ook wel eens de verklaring kunnen zijn voor het feit waarom de Statenvertaling het onder orthodox-protestanten zo lang heeft volgehouden. “Hun manier van met de oude vertaling omgaan lijkt bijna joods. Je mag er geen komma aan veranderen, want het is Gods eigen Woord. Of, om het in de terminologie van de Gereformeerde Bijbelstichting te zeggen: het is een geschenk van de Heer. Kennelijk geldt dat voor de andere, nieuwere bijbelvertalingen minder.
Overigens zal een orthodoxe protestant die magische aantrekkingskracht direct ontkennen. Een dergelijke gedachte is in dat milieu volstrekt taboe. Het gaat hier ook meer om onbewuste dan bewuste invloeden.''
Zelfs literatoren die in hun jeugd niets met de tale Kanaüns van doen hebben gehad, dragen de Statenbijbel een warm hart toe. Goedegebuure: “Iemand als Rudy Kousbroek, die geheel buiten kerk en christelijk geloof staat en er graag de spot mee drijft, wil over de Statenvertaling geen kwaad woord horen. Kennelijk ziet ook hij de oude vertaling als een geweldig stuk cultuurgoed waarmee we zorgvuldig dienen om te gaan en dat we moeten koesteren.
Ik ben het helemaal met hem eens. Binnen de vaderlandse cultuur neemt de Statenvertaling een centrale positie in, vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot diep in onze tijd. Natuurlijk, technisch gezien is ze verouderd, maar toch blijft ze mensen bekoren. Je kunt er niet omheen.''
“Een prachtig voorbeeld van hoe de Statenvertaling een aanzet kan geven tot geheel nieuwe teksten zie je bij de dichter Jan Kuiper, redacteur bij Querido. Hij heeft rond 1980 een bundel van dertig sonnetten geschreven die alle een bijbelvers uit de Statenvertaling als uitgangspunt hebben. Daar gaat ie dan mee aan de slag en zo ontstaat iets volkomen anders, dat vaak nog maar weinig te maken heeft met de oude context of er zelfs dwars tegenin gaat.”
Toch zal, naarmate de secularisering voortschrijdt en steeds minder mensen de Statenbijbel ter hand nemen, aldus Goedegebuure, ook de literaire invloed ervan steeds meer afnemen. “Dat geldt trouwens voor de Bijbel als zodanig, hoe modern of volks hij ook mag worden vertaald.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.