*

 
dossier

Archief

AFVAL-MAFIA IN INNIGE OMARMING MET STAAT

HANS SCHMIT − 27/05/95, 00:00

Voor de rechtbank in Rotterdam begint op 1 juni het proces tegen de gebroeders Langeberg, eigenaren van het inmiddels failliete scheepsafvalverwerkingsbedrijf Tank cleaning Rotterdam (TCR). De uit Amsterdam afkomstige broers zouden jarenlang alle milieuwetten hebben ontdoken en miljoenen guldens subsidie verspild. Maar er is eigenlijk nog een verdachte. Vaststaat dat het toezicht van de overheid op het naleven van de vergunningen heeft gefaald. Centraal tijdens de strafzaak is de vraag in hoeverre de overheid mede-schuldig is aan één van de grootste milieu-schandalen uit de Nederlandse geschiedenis.

Hoe dat gebeurt, is genoegzaam bekend. Al sinds de jaren zeventig duiken er telkens weer verhalen op over het verdunnen en mengen van partijen afval, over tankers die onder de waterlijn hun giftige lading lozen, over complexe leidingstelsels op bedrijfsterreinen waarmee je alle kanten uit kunt, maar vooral ongezuiverd richting plomp. En over installaties die volgens prachtige folders veel, zo niet alle afvalstoffen te lijf kunnen, maar die in werkelijkheid nauwelijks functioneren.

Sinds het proces, begin jaren tachtig, tegen de drie directeuren en twee werknemers van het voormalige bedrijf Uniser, dat aan de Moerdijk veel gevaarlijk afval ontving maar nauwelijks verwerkte, kunnen bestuurders en handhavers weten welke wegen sjoemelende afvalverwerkers plegen te bewandelen om de zakken te vullen. Maar die kennis heeft opmerkelijk genoeg niet geleid tot een forse schoonmaak van de afvalbranche.

Zo liepen sommige zaken die als groot werden gepresenteerd met een sisser af. Dat gold bijvoorbeeld voor het Rotterdamse tankschoonmaakbedrijf Booy Clean dat in 1983 werd verdacht van ernstige illegale lozingen. Op grond daarvan sprak de toenmalige minister van verkeer en waterstaat, Neelie Kroes, haar veto uit over deelname van Booy aan de havenontvangstinstallatie, die uiteindelijk werd gegund aan de gebroeders Langeberg. De zaak-Booy eindigde in een schikking (van een half miljoen).

In diezelfde periode stierf de grootscheeps opgezette 'Operatie Chemix', met invallen in tientallen bedrijven, een stille dood. Daarna slaagde het Milieubijstandsteam (MBT), in het leven geroepen naar aanleiding van de Uniser-affaire, er wel in enkele grote affaires tot een goed eind te brengen, zoals de zaak-Omega (onder meer gesjoemel met ziekenhuisafval), de zaak-Kemp (illegale stort in de Coupépolder in Alphen aan de Rijn) en de daaruit voortvloeiende zaak-Zegwaard (illegale afvalstort, met name in België).

Reeds bij de oprichting van TCR in 1985 was er alle aanleiding voor een forse portie wantrouwen. Het Amsterdamse bedrijf van de Langebergs, Tankcleaning Amsterdam, werd al lange tijd verdacht van illegale lozingen, maar het gerechtelijk vooronderzoek moest (zoals gezegd) worden afgeblazen. Vanaf het begin doken verhalen op over knoeierijen met subsidies en illegale lozingen. Hoewel de vergunning van TCR de ruimte bood voor royale lozingen (het bedrijf behoorde tot de tien grootste lozers van Rijnmond), constateerden de handhavers regelmatig overtredingen. Dat resulteerde in tientallen processen-verbaal die met schikkingen werden afgedaan.

Het is dus beslist niet zo dat er bij TCR niet werd gecontroleerd en gehandhaafd, zegt Hans Muilerman van de Zuidhollandse Milieufederatie (ZHM): “De milieudienst Rijnmond heeft de laatste vijf jaar meer tijd in TCR gestoken dan in alle andere bedrijven bij elkaar. Maar de handhavers meten alleen aan het eind van de pijp. Ze werden in het bedrijf ook niet als een serieuze bedreiging gezien. Ze kregen eerst een kopje koffie, zodat de kranen konden worden dichtgedraaid. Onverwachte bezoeken vanaf het water werden tijdig geregistreerd met een videocamera. En er was een speciaal schuilhokje voor de mensen die bij illegale lozingen op de uitkijk stonden.”

Hoe dat werkte, heeft Muilerman een jaar of zes terug zelf ervaren toen hij met Reinwater in het havengebied monsters nam. “Toen we kwamen aanvaren, kwam er niets uit de pijp: ze hadden ons gezien. Later zijn we, vlak langs de oever, teruggekomen en toen liep er warme olie uit de pijp. We hebben er een emmertje ondergehouden en even later aan de mensen op een bootje van de Havendienst laten zien. We kregen toen te horen dat we afvalwater hadden gestolen: zolang de drab niet in de haven ligt, is deze eigendom van het bedrijf. We zijn nog enige tijd in een kantoor van de havendienst vastgehouden. Uit latere analyses bleek de olie onder meer PCB's te bevatten, maar de Havendienst deed er niets mee.”

Zeker in de eerste jaren dat TCR draaide, stond de overheid niet echt te trappelen om het bedrijf aan te pakken. Op grond van het internationale verdrag over de vervuiling van de zee (Marpol) moesten havens vanaf 1985 over een ontvangstinstallatie voor afval van schepen beschikken. In de grootste haven ter wereld mocht zo'n installatie zeker niet ontbreken. Bovendien moest deze in particuliere handen komen; dat zou goedkoper zijn.

Muilerman: “TCR is daardoor lange tijd de hand boven het hoofd gehouden. Controlerende ambtenaren stuitten op hoge pieten binnen het eigen apparaat _ en dan is het stoppen geblazen. In januari 1989 waarschuwde minister Nijpels van milieu zijn collega Kroes dat er van alles mis was bij TCR, maar voor zover wij weten is daar toen weinig of niets mee gebeurd.”

Het beeld van een wel erg terughoudende overheid past in de bevindingen van een projectgroep die in opdracht van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) onderzoek heeft gedaan naar (grensoverschrijdende) afvalstromen, milieucriminaliteit en de integriteit van het openbaar bestuur. De onderzoekers kwamen vorige zomer tot de conclusie dat de integriteit van bestuurders en ambtenaren die zijn betrokken bij de verwijdering en verwerking van afval onder sterke druk staat. Er is sprake van belangenverstrengeling tussen de overheid en de branche, bestuurders dragen soms dubbele petten en niet zelden worden afspraken gemaakt met malafide bedrijven. De onderzoekers stuitten op vele voorbeelden van naïviteit en nalatigheid, noemden de verordeningen op het gebied van afval fraudegevoelig en spraken van een slechte controle en handhaving.

De afgelopen jaren kreeg de ZHM steeds meer (anonieme) tips over de praktijken van TCR. Muilerman: “Een voorbeeld: TCR haalde bij de marine in Den Helder vervuilde olie op voor 565 gulden per ton. De indruk werd gewekt dat de olie bij de AVR zou worden verbrand, maar de olie werd in Rotterdam gemengd met zaagsel en voor 120 gulden per ton als brandstof aan cementovens in België verkocht. Na de brand bij Cindu in Uithoorn in 1992 hebben ze de vervuilde sloten leeggepompt. Het water zou worden gezuiverd bij TCA, maar het is via het schip op het water geloosd. Zo verdien je met het heen en weer pompen van water in korte tijd een half miljoen gulden.”

Zolang zo simpel dergelijke winsten te behalen zijn, zullen er altijd mensen proberen op deze wijze rijk te worden. Hoe kun je dat voorkomen? Muilerman: “Er zijn nu verschillende handhavers, van de Havendienst, Rijkswaterstaat, de regiopolitie, de milieudienst; met ieder een eigen cultuur. De een heeft de burgemeester als baas, de ander de wethouder die óók de vergunningen geeft. Je komt dan al snel in het grijze gebied van gedogen. Je moet daarom de bestaande capaciteit bundelen in één organisatie die los staat van de organisatie die de vergunning verleent. Verder moet je ànders controleren. Je moet beginnen aan de poort; TCR kon zaken innemen die het niet kon verwerken. Je moet de route van verwerken en de installatie preciezer voorschrijven; je moet bij het ontwerp van de installatie voorkomen dat leidingstelsels kunnen worden gekoppeld. Het bedrijf moet verder een zodanige stoffenboekhouding bijhouden dat bij een onverwachte doorlichting van het bedrijf de lekken direct zichtbaar worden. Dergelijke systemen hanteert het Amerikaanse bedrijfsleven, maar staan hier nog in de kinderschoenen.”

mailIcon print |