*

 
dossier

Archief

Workshop illustreert de malaise bij Het Nationale Ballet

EVA VAN SCHAIK − 27/01/98, 00:00

AMSTERDAM - Het Nationale Ballet ligt al geruime tijd onder zware kritiek. Ooit een gezelschap dat de spanning erin hield door het repertoire jaarlijks met zes tot negen nieuwe balletten uit te breiden, werd het een balletmachinerie van bestaand repertoire, met een sterk toegenomen accent op opgepoetste oude glorie en avondvullende klassiekers.

Kwam het door de verhuizing naar het Muziektheater, door de wisseling van de artistieke wacht, door het vertrek van vaste publiekstrekker Van Manen, door geruzie in de leiding, door de exorbitante, voor het HNB onbetaalbare prijzen die gerenommeerde choreografen tegenwoordig vragen, door het uitblijven van een tweede reizend gezelschap? Al die factoren spelen mee, maar de malaise lijkt ook aan een crisis van deze podiumdiscipline zelf te wijten.

In de jaren '80 werd het esthetisch imago van ballet met haar traditionele gender-specificaties opgeblazen. Ook balletdansers zoeken, als producten van hun tijd, naar nieuwe motivaties. Welke geestelijke stimulans en fysieke uitdaging biedt de huidige programmering, waarin zo weinig ruimte is voor eigenzinniger dans dan het klassieke of moderne dansverleden?

De zwaarste kritiek die Het Nationale Ballet over zich uitriep werd dit weekend door de dansers zelf onderstreept in de choreografie-workshop, altijd een graadmeter van de springlevendheid van een gezelschap. Twintig jaar geleden werd met die traditie begonnen. Er bleef weinig meer van over dan een sputterend stuiptrekken. De enige twee bijdragen die het doorsnee workshop-niveau overstegen waren afkomstig van dansers die of al van de groep afscheid namen, of dat binnenkort doen. Bruno Barat, Kevin Cregan en Robert Bell maakten elk een solo voor zichzelf op muziek van Steve Reich en brachten die in hun 'After all' samen. Barat, die zijn vleugels reeds uitsloeg naar postmoderne dans, ondergaat de crisis eerst lijdzaam zittend, beschijnt zijn lichaam met een lampje alsof hij het dansgevoel in zijn ballet-geconditioneerde lichaam moet zoeken. Het zit er nog, goddank, en Reichs 'variations for winds, strings and keyboard' is een klankbord voor zijn magische precisie in superieure souplesse, in een vluchtig spel van verspringende lichtcirkels op de vloer. Adembenemend om te zien. Cregan laat zich liggend op een spiegel eerst langzaam voorbijdrijven. Ook hij buigt zich over de spiegel als de Narcissus van Caravaggio om op zijn balletverleden met open toekomst in een fel afgemeten kracht te reageren. Beiden hebben choreografenbloed. De twee hebben reeds doorstaan wat Robert Bell achter hen nog doormaakt. Tv-zappend ondergaat hij de overdosis aan informatie en reflecteert dit met wanhopig gedribbel. De drie mannen, elk in een andere fase van hun balletloopbaan, delen eenzelfde crisis: hun beweegredenen gingen met hen aan de haal.

Even pittig is het commentaar dat Alfredo Fernandez op zijn kunst leverde. Met hulp van de behaagzieke Claire Philippart en Nicolai Rapaic - die als een tiran haar narcisme ontluistert en naïviteit opeist - krijgt de balletkunst tot slot zelfs letterlijk 'shut up, claire' toegesnauwd.

Met de bijdragen van Gerard Mosterd, Johanna Williams en Greta Jorgensen is het met het zelfbeeld al even somber gestemd. Mosterd laat een balletdanser in zijn slaap door een sylfide en een sirene mangelen, Williams rolt op een gefilmde scène naakt de duisternis in, nadat ze haar uitbuiting als doorzichtige paspop heeft beseft, en Jorgensen stelt in een parodie op de sweet seventies de leegte van die erfenis aan de kaak. De workshop laat er geen twijfel over bestaan: deze dansers en hun choreografen weten zich geen raad met de situatie waarin zij zich bevinden.

mailIcon print |