*

 
dossier

Archief

Zonder luxe gaat het niet

HANS MAGNUS ENZENSBERGER − 11/01/97, 00:00

“Ik vermoed dat het in de toekomst bij de strijd om de verdeling om heel andere prioriteiten zal gaan. Schaars, zeldzaam, duur en begeerlijk zijn onder invloed van de voortwoekerende consumptie niet snelle auto's en gouden horloges, kratten champagne en parfums, dingen die op iedere straathoek te krijgen zijn, maar elementaire levensbehoeften als rust, schoon water en genoeg ruimte.” De Duitse cultuurfilosoof en schrijver Hans Magnus Enzensberger over pronkzucht en verkwisting, Karl Marx, Koning Ludwig II en de Duty Free Shop. Over oude en nieuwe luxe: “In dit verband zal de luxe in de toekomst in ieder geval blijven wat hij altijd was: een hardnekkige tegenstander van de gelijkheid.” Vertaling Gerry Bruil

Zelfs in de straten van Moskou en in de bazaars van Manila heeft de luxe zich geïnstalleerd. Gelet op de toenemende armoede in Oost en West, klinkt dat cynisch. Maar deze tegenspraak heeft op aanbieders en afnemers van de overvloed nog nooit indruk gemaakt en slaat vandaag de dag minder aan dan ooit. Als er dan voor een Parijse delicatessenwinkel een bom ontploft of in Berlijn een groepje warhoofden zijn woede koelt op een restaurant waar naar hun smaak te goed wordt gegeten, dan kunnen we in deze even brute als krachteloze uitingen van protest moeilijk iets anders zien dan achterhoedegevechten waar de massale steun van de bevolking geheel aan ontbreekt.

Deze situatie vraagt om een terugblik. De afkeer van alles wat luxe is, heeft immers een lang en eerbiedwaardig verleden. Een onafzienbare rij filosofen en wetgevers, predikers en demagogen heeft zich uitgesproken tegen weelde, pronkzucht en verkwisting. Net als het onderwerp van hun ijver zijn in de loop der tijd hun argumenten veranderd.

Alleen al de spreekwoordelijke Spartaanse opvoeding heeft, wat motieven en methoden betreft, nauwelijks iets gemeen met de leer van de cynici; en het zijn weer heel andere angsten die hebben geleid tot de even draconische als heilloze gebruiks- en weeldewetten van de Romeinen. Alles wat het zielenheil niet diende, wilde Savonarola (Italiaans boetprediker 1452-1498 red.) naar de brandstapel der ijdelheden verwijzen; maar hij beoogde bepaald niet hetzelfde als de utopisten, die uit hun respectieve eldorado's eveneens, onder bedreiging met zware straffen, alles wilden verbannen wat hen overbodig voorkwam. Enzovoort.

Hoe meer terrein de zuiver religieuze en morele motieven van de predikers verloren, des te duidelijker werd de kritiek op de spilzucht van de rijken en machtigen een politiek thema. Toen de Verlichting het onderwerp gelijkheid op de agenda zette, leek de luxe definitief een maatschappelijk schandaal te zijn geworden. Uitroeien van de luxe en van allen die eraan ten prooi waren gevallen, werd nu een doel dat de Revolutionairen in hun vaandel schreven.

Het valt niet mee wijs te worden uit de lange strijd die toen ontbrandde. Toch bestaat er een locus classicus waar de belangrijkste argumenten te vinden zijn. Dat is het Franse weelde-debat uit de achttiende eeuw.

Abbé Coyer schreef toentertijd in een beroemd pamflet: “Luxe en vuur lijken in zoverre op elkaar dat ze zowel kunnen verwarmen als verteren. Richt de luxe enerzijds rijke families te gronde, anderzijds houdt hij onze fabrieken in stand. Hij verslindt het vermogen van de verkwisters maar voedt ook onze arbeiders. Als onze zijde uit Lyon, ons goudbeslag en onze juwelen in de ban gedaan zouden worden, dan zie ik de gevolgen al voor me: In één klap miljoenen arme mensen zonder middelen van bestaan en evenzovele stemmen die zich verheffen en om brood schreeuwen.”

In L'esprit des lois vat Montesquieu het zo samen: “Zonder luxe gaat het niet. Als de rijken niet overvloedig geld uitgeven, zullen de armen verhongeren.” En Voltaire bracht het probleem terug tot een bon-mot: “Het overbodige is volstrekt onontbeerlijk.”

Op dergelijke overwegingen is tot in onze eeuw voortgeborduurd. In zijn boek uit 1912 over het ontstaan van de moderne wereld uit de geest der verkwisting kon Werner Sombart de stelling verdedigen dat de luxe het kapitalisme heeft voortgebracht.

De opkomende bourgeoisie was die mening altijd al toegedaan. Zo staat er in een encyclopedie uit 1815 met een ontwapende bonhomie: “Met het oog hierop wordt de luxe niet alleen zeer nuttig en noodzakelijk doordat hij het streven van de mensen naar fysiek welbevinden vergemakkelijkt, maar dit welbevinden ook onder de grootst mogelijke mensenmassa verspreidt, en zodoende de voor de algemene nationale welvaart nadelige bezitsongelijkheid tegengaat.”

Hier wordt met verbluffend groot gemak de bal teruggekaatst. De pleitbezorger van de luxe beroept zich op hetzelfde gelijkheidspostulaat dat de critici ertegen plachten aan te voeren: “Het veelvuldig geweeklaag van de aanzienlijken en de rijken over de voortschrijdende luxe en de nadelen daarvan schijnt dus vooral voort te komen uit inhumane gevoelens en uit hooghartigheid en afgunst op het lagere volk, doordat de hogere standen nog niet kunnen wennen aan de onmiskenbaar gestegen welvaart van de laagste klassen, die het gevolg is van de industrialisering.”

Verbazingwekkend vastberaden gaat deze biedermeier encyclopedieschrijver een cultuurkritiek te lijf die ons bekend voorkomt. Hij treedt die tegemoet met een argwaan die tot op heden niet is ontkracht.

Aan de economische analyse van de luxe-productie komt evenwel nog een andere verdienste. Ze heeft ook afgerekend met de primitieve idee dat vraag en aanbod, productie en consumptie met elkaar in evenwicht zijn en dat aan het verlangen naar rechtvaardigheid eenvoudigweg voldaan kan worden door herverdeling. In zijn afwijzing van dit idee-fixe was Karl Marx het trouwens helemaal eens met zijn bourgeois tegenstanders, ook al wilde het dommere deel van zijn aanhang dat nooit echt toegeven. Het model van een taart van een bepaalde grootte die in gelijke stukken moet worden verdeeld, gaat voor de aardse goederen niet op, al is het geloof in dit model blijkbaar niet uit te roeien. Hoe iemand ook denkt over luxe, de geschiedenis ervan bewijst in ieder geval het tegendeel.

Dat blijkt alleen al uit de steeds veranderende verschijningsvormen ervan. Het begrip luxe is net zo relatief als het begrip armoede. Nog niet zo lang geleden waren goederen als suiker en glas, fluweel en licht, peper en spiegels in Europa voorbehouden aan een kleine minderheid van machtigen en rijken. Dat veel van wat tegenwoordig als vanzelfsprekend tot de levensstandaard van iedere stratenmaker of kapster hoort, vroeger niet eens ter beschikking stond van een vorst, is een van die gemeenplaatsen waarover je aan het piekeren kunt slaan als je ze letterlijk opvat.

Maar ook de theorieën van het materialisme verklaren niet alles. Ze hebben de symbolische macht van de luxe altijd onderschat. Ze hebben niet gezien dat het een drijvende factor is, niet alleen in de economische revolutie, maar in alle revoluties. Biologen uit de negentiende eeuw was het opgevallen dat verspilling niet alleen in de mensenmaatschappij een overweldigend grote rol speelt, maar ook in de natuur. Het kwantitatieve en kwalitatieve overschot dat in de natuur bestaat, is met utilitaristische berekeningen niet volledig te verklaren. Evolutietheoretici doen hun best het exorbitante kleurenspel van tropische vlinders in darwinistische zin te verklaren. Raadselachtig zijn ook de slagtanden van de Siberische mammoet, want ze hebben niet gediend voor de overlevering van de soort. Zo breekt de wetenschap zich de tanden op de overvloed in de natuur.

Of de spilzucht van mensen biologische wortels heeft, is een vraag die dan ook onbeantwoord moet blijven. Toch ligt het voor de hand te zoeken naar maatschappelijke analogieën van de extravagante grillen van de natuur. De moderne etnologen hebben dat niet nagelaten. Hun beroemdste, maar ook zeer omstreden voorbeeld is de potlatch. Het gaat om rituele bijeenkomsten van indianen in Noordwest-Amerika, waarbij rivaliserende clans van de Kwakioetlstam en van andere stammen op spectaculaire wijze hun waardevolste middelen van bestaan zouden hebben vernietigd. Winnaar van dit soort wedstrijden was degene die het meeste te verkwisten had.

In latere onderzoeken wordt getwijfeld aan het werkelijkheidsgehalte van dit gebruik. Maar zelfs als zou blijken dat de potlatch een wetenschappelijke mythe is, dan is het laatste woord er nog niet over gezegd. De potlatch maakt duidelijk dat iedere overdreven uiting van consumptie een demonstratie van macht is, en dat luxe-bestedingen altijd aangewezen zijn op toeschouwers die zich erdoor laten imponeren.

Het was Georges Bataille die de filosofische verklaring van het verschijnsel luxe op de spits heeft gedreven. Het kan geen toeval zijn dat hij al een lange carrière als etnoloog achter de rug had toen hij begon na te denken over “de betekenis van bestedingen en het opheffen van de economie”. Hij kwam, kenmerkend voor hem, tot een radicale conclusie: “Het verhaal van het leven op aarde is voor alles het resultaat van een krankzinnige overdaad: allesoverheersend is de ontwikkeling van de luxe, het ontstaan van steeds extravagantere levensvormen.”

Men hoeft Bataille's metafysica van de verkwisting niet te delen om hem op één punt gelijk te geven: namelijk dat er, alle armoede ten spijt, nooit een menselijke samenleving is geweest die het heeft klaargespeeld zonder luxe.

Er zijn zelfs goede redenen om te beweren: Nooit werd er minder gespaard dan in tijden dat hongersnood iets heel gewoons was. Zelfs traditionele samenlevingen, waar altijd gebrek dreigde, hebben op hun feesten een waanzinnige pracht tentoongespreid. Beslissend daarvoor waren niet het narcisme en de grootheidswaan van de machthebbers, maar het noodzakelijke uiterlijk vertoon. Deze hang naar excessen laat zich het best bestuderen aan de hand van de hoofse feesten tijdens de Barok. Voor deze orgieën greep de vorst iedere gelegenheid aan: een doop, een geboorte, een naamdag of een sterfdag, een vredesverdrag of een verovering. Zelfs het huwelijk moest op zijn minst symbolisch in het openbaar worden voltrokken: zo duurde het bruiloftsfeest van Keizer Leopold I in Wenen een heel jaar.

Dat het vertoon van pracht en luxe alleen tot vermaak van de machtigen diende, is een puriteins misverstand. Integendeel, ze waren verplicht, ja gedwongen, om de wereld tegen iedere prijs, zelfs tot hun eigen ondergang toe, een exorbitant schouwspel aan te bieden. Voor de kosten moesten ze, en dat gold ook voor de lagere adel, leningen afsluiten, een last die henzelf en hun onderdanen niet zelden in hun bestaan bedreigde. En wat het plezier betreft, konden de feestgangers absoluut geen stap verzetten buiten de etiquette om. Men moet het zich allemaal voorstellen als een verschrikkelijk vermoeiende gebeurtenis waaraan de deelnemers zich niet konden onttrekken en die hen totaal uitgeput achterliet.

En welke rol speelde bij dit verkwistingsritueel het volk of, modern gezegd, het publiek? Ze moesten het gelag betalen maar ze hadden ook het recht toeschouwer te zijn. In het Ethiopië van Haile Selassie was het nog zo dat de laatste bedelaar kon eisen deel te hebben aan de grote feesten van de vorst. Arme mensen hadden er recht op om als hekgasten afgescheept te worden met de etensresten van de keizerlijke tafel.

Deze wisselwerking heeft het absolutisme overleefd. Tot op de dag van vandaag neemt het publiek, via de massamedia, deel aan de feesten van de 'prominenten'. Of het nu gaat om het operabal in Wenen, een Oscar-uitreiking, het huwelijk van een topsporter of om monarchieresten, altijd kijkt een hunkerende massa toe door het sleutelgat van de media.

Ook de serieuzer vormen van de openbare luxe hebben zich tot nu toe kunnen handhaven. Niet alleen nieuwe operagebouwen, cultuurcentra en musea getuigen van het plezier in collectieve uitgaven, ook de wetenschap richt voor zichzelf indrukwekkende monumenten op. Een van die monumenten is het Large Hadron Collider, dat op het ogenblik in de buurt van Genève gebouwd wordt. Het is een ondergrondse hightech kathedraal met een dermate esoterische bestemming dat de belastingbetalers van de betrokken landen waarschijnlijk niet begrijpen waarom die daar staat. De bouw en inrichting ervan zullen vermoedelijk vier miljard mark gaan kosten.

Dat dit wereldwonder iets tastbaars zal opleveren, dat het, bedrijfseconomisch gesproken, rendeert, daarvoor durven zelfs de wetenschappelijk onderzoekers en managers van Cern de hand niet in het vuur te steken. De theologen van de zuivere markteconomie moet het project net zo'n doorn in het oog zijn als destijds Neuschwanstein, het fantasieslot van Koning Ludwig II van Beieren, voor de Rekenkamer was. Voor de ambtenaren was het slot het product van de 'ziekelijke spilzucht van een paranoïcus'. Tegenwoordig wordt daar trouwens van jaar tot jaar zes miljoen mark entreegeld geïnd, netzoveel als destijds de bouw heeft gekost; ondertussen loopt, via een omweg, de opbrengst van deze dwaze onderneming ongetwijfeld in de miljarden.

Maar wat in dit voorbeeld opmerkelijk is, zijn niet de getallen. Het is de liefde die de koninklijke patiënt, die zijn hele leven een hekel heeft gehad aan het volkse, ten deel viel, vroeger maar ook nu nog.

VERVOLG OP PAGINA 18

EEN KAMER MAAKT EEN LUXUEUZE INDRUK ALS ZIJ LEEG IS VERVOLG VAN PAGINA 17

Het geeft aan dat luxe, en vooral als die alle perken te buiten gaat, beslist geen spontane woede oproept. Dat is vandaag de dag nog zo. Ieder jaar worden met Kerstmis hele rijen straten feestelijk verlicht. In Parijs wordt in november altijd een half miljoen gloeilampen opgehangen. Niemand schijnt zich daaraan te storen, zelfs de pleitbezorgers van de armen niet. Toen Mitterrand zijn megalomane bouwprogramma uitvoerde, woedde in de buitenwijken de moleculaire burgeroorlog. De witte olifant van onze beschaving wordt door werklozen en balastingbetalers met dezelfde verbazingwekkende tolerantie bejegend.

We kunnen trouwens toch niet om de constatering heen dat het zelden de verworpenen der aarde waren die de openbare verkwisting aan de kaak hebben gesteld, maar veeleer hun vrijwillige pleitbezorgers. Radicale intellectuelen, het slag mensen zoals Robespierre, Lenin, Mao Tse Toeng of Pol Pot zijn het geweest, met andere woorden advocaten, zoons van grootgrondbezitters, sociologen, die in de ascese het toppunt van deugd zagen en die zonodig bereid waren deze met alle mogelijke terreurmiddelen door te drijven. Onder armen, rechtelozen en vernederden kun je lang zoeken naar predikers van de soberheid.

Op een onschuldiger manier heeft zich dit ook in de Duitse Bondsrepubliek voorgedaan. Al in de puberteit, in de eerste jaren van het Wirtschaftswunder, wilde de gote massa niet luisteren toen de intellectuelen waarschuwden voor de koelkast en de auto, destijds nog luxe-artikelen. later vond ook de studentenbeweging geen gehoor toen deze probeerde de mensen te waarschuwen voor het dreigende gevaar van de consumptieterreur. En toen de DDR zijn verdiende einde tegemoetging, moesten deugdzame schrijvers machteloos toezien hoe miljoenen mensen weerloos ten prooi vielen aan de duivelse verleidingen van de overvloed in de vorm van exotische zuidvuchten.

Dat alles doet de verdenking rijzen dat de afkeer van alle vormen van luxe, ook de eenvoudigste, eerder is toe te schrijven aan de scrupules en de zelfhaat van de beoordelaars dan aan de ressentimenten van degenen die er geen deel aan hebben.

Zou dan alles in evenwicht zijn, iedere scrupule ongegrond, de luxe gerehabiliteerd, zijn toekomst schitterend? Alleen een leeghoofd kan op dat idee komen.

Want naast de collectieve luxe is allang een democratische, alledaagse, van alle rituelen bevrijde privé-luxe ontstaan, zogezegd een luxe in 't klein, om niet te zeggen een sjofele luxe. De 'door de industriële voortgang onmiskenbaar vergrote welvaart van de lagere klassen' heeft dat mogelijk gemaakt. Het 'boosaardige en onmenselijke gevoel' dat hun deze vruchten misgunt, zij verre van ons! Ook van de laatdunkende kwaadsprekerij die de figuur van de stijger nogal eens ten deel valt, moeten we afzien. Tenslotte is iedereen die aan dit spel meedoet als nouveau riche begonnen.

In de jaren van de boom heeft de privé-luxe, nauwelijks opgemerkt door zijn oude vijanden, een onverwachte en fatale wending genomen. Hij heeft een dodelijke overwinning behaald. In de gebruikelijke vorm is hij in ieder geval bezweken voor de entropie, die wetmatigheid die naar de uitschakeling van uitersten, naar gelijkvormigheid en naar onverschilligheid leidt. In alle vroege samenlevingen gingen verkwisting en overvloed door voor zeldzame uitzonderingen. Juist het feit dat luxe zondigde tegen alle normen van het dagelijks leven, verleende er zijn éclat en zijn prestige aan.

De massaproductie heeft tegelijktijd de grootste overwinning en de ondergang van de luxe bewerkstelligd. Een kolossale industrie, die zelfs tijdens de recessie nog fabelachtige groeicijfers bereikt, leeft van haar splijtingsproducten. Emblematisch voor deze ontwikkeling is dat het merkartikel de nieuwe trend is. De namen van de producenten zijn een universele code geworden, het etiket vervangt het voorwerp. Dat gaat zo ver dat de klanten hun lichaam als propagandaruimte ter beschikking stellen aan de leveranciers.

“Luxe is niet het tegendeel van armoede, maar van vulgariteit.” Met deze woorden heeft Coco Chanel het vonnis uitgesproken over de industrie waarvan zij de pionier was. Duty Free Shop en Shopping Mall heten de lijkenhuizen van de luxe. Het lugubere eraan is dat ze zich als in een griezelfilm vermenigvuldigen. De overstelpende hoeveelheid van steeds hetzelfde wordt gebracht alsof het om iets exclusiefs gaat, en deze willekeur dringt zich op met de dwaze pretentie dat het om een 'must' gaat.

Terugkijkend blijkt dat het met de luxe in esthetisch opzicht altijd al dubieus gesteld was. Waar grote pracht tentoongespreid wordt, is altijd de neiging tot overdrijven aanwezig: te veel goud, te veel praal, te veel versiering, te veel opdringerigheid. Alleen stof, slijtage, patina en bouwvalligheid van veel erfgoed verzachten de aanwezigheid van kitsch en maken de smakeloosheid van de goede smaak draaglijk. In de gruwelkamers van de souvenirwinkels en stijlmeubelzaken worden toeschouwers er met de kracht van een vuistslag mee geconfronteerd.

Dat de privé-luxe ook de jaloerse toeschouwer is kwijtgeraakt, zal niemand verbazen. Waar niets meer te zien is, wendt de voyeur zich schouderophalend af. Het zal ook wel geen toeval zijn dat het vooral souteneurs, gangsters en drugsbaronnen zijn die er de meeste waarde aan hechten zich te versieren met exclusieve rotzooi. Nergens wordt de strijd om het etiket, de merknaam op de plunje, bloediger uitgevochten dan in het getto.

Het is de vraag of de privé-luxe nog wel een toekomst heeft. Ik hoop en vrees: ja. Want als het waar is dat het streven naar differentiatie tot het mechanisme van de evolutie hoort en dat spilzucht op instinct berust, dan kan de luxe nooit helemaal verdwijnen en is het alleen maar de vraag welke gedaante hij op de vlucht voor zijn eigen schaduw zal aannemen. Alles wat daarover te zeggen is, kan alleen giswerk zijn.

Welnu, ik vermoed dat het in de toekomst bij de strijd om de verdeling om heel andere prioriteiten zal gaan. Schaars, zeldzaam, duur en begeerlijk zijn onder invloed van de voortwoekerende consumptie niet snelle auto's en gouden horloges, kratten champagne en parfums, dingen die op iedere straathoek te krijgen zijn, maar elementaire levensbehoeften als rust, schoon water en genoeg ruimte.

Een merkwaardige omslag in een wensenlogica: de luxe van de toekomst neemt afscheid van het overvloedige en richt zich op het noodzakelijke, waarvan te vrezen valt dat het maar aan heel weinigen ter beschikking zal staan. Dat waarop het aankomt, kan geen Duty Free Shop Leveren:

1. De tijd. Dit is het belangrijkste van alle luxegoederen. Het is bizar dat het juist het hogere personeel is dat het minst vrij kan beschikken over zijn eigen tijd. Dat is niet in de eerste plaats een kwestie van kwantiteit, hoewel velen uit deze klasse tot tachtig uur per week werken; ze worden vooral de slaaf van hun vele verplichtingen. Er wordt van hen verwacht dat zij te allen tijde bereikbaar en op afroep beschikbaar zijn. Verder zijn ze gebonden aan een agenda, die vaak jaren van tevoren volgepland is.

Maar ook in andere beroepen zijn mensen aan regels gebonden waardoor de vrijheid om over hun tijd te beschikken tot een minimum is beperkt. Arbeiders zijn afhankelijk van de tijd waarop hun machines draaien, huisvrouwen van winkelsluitingstijden, ouders van schoolreglementen en bijna iedereen is aangewezen op heen en weer rijden tijdens de spitsuren. Onder deze omstandigheden heeft diegene een luxeleven die altijd tijd heeft, maar alleen voor datgene waarmee hij zich wil bezighouden, en die zelf kan beslissen wat hij met zijn tijd doet, hoeveel hij doet en wanneer en waar hij het doet.

2. De aandacht. Ook dat is een schaars goed en om de verdeling ervan voeren de gezamenlijke media een bittere strijd. In het geharrewar van geld en politiek, sport en kunst, techniek en reclame, blijft er weinig van over. Alleen wie zich deze claims niet laat opleggen en het ruisen van de kanalen uitschakelt, kan zelf beslissen wat zijn aandacht verdient en wat niet. Onder het trommelvuur van willekeurige informatie nemen onze zintuiglijke en cognitieve vermogens af; ze nemen toe als we ze uitsluitend gebruiken voor dat wat we zelf willen zien, horen, voelen en weten. Ook hierin kunnen we een element van luxe zien.

3. De ruimte. Wat de agenda is in het gebruik van de tijd, is de file in het gebruik van de ruimte. In figuurlijke zin is de file alomtegenwoordig. Stijgende huren, woningnood, overvol openbaar vervoer, gedrang in de voetgangerszones, in de openluchtzwembaden, discotheken en toeristengebieden laten een concentratie van levensomstandigheden zien die aan vrijheidsberoving grenst. Wie zich aan deze kooi-instelling kan onttrekken, leeft luxueus. Daartoe hoort ook de bereidheid zich los te maken van de berg spullen. Meestal is het toch al veel te kleine huis volgepropt met meubels, apparaten, snuisterijen en rommel. Wat ontbreekt is die extra ruimte die nodig is om zich vrij te kunnen bewegen. Heden ten dage maakt een kamer een luxueuze indruk als zij leeg is.

4. De rust. Ook dit is een elementaire behoefte die steeds moeilijker te bevredigen is. Wie het overal aanwezige lawaai wil vermijden, moet er veel voor over hebben. Als regel zijn huizen duurder naarmate ze rustiger zijn; restaurants die hun gasten niet met geschetter lastigvallen, vragen hogere prijzen, als tegenprestatie voor het afzien van deze overlast. Het razende verkeer, de loeiende sirenes, de ronkende helikopters, de denderende stereo-installatie van de buren, de maanden durende dreunende straatfeesten - van luxe geniet degene die zich hier allemaal aan kan onttrekken.

5. Het milieu. Dat we de lucht kunnen inademen en het water kunnen drinken, dat het niet walmt en niet stinkt, is, zoals iedereen weet, geen vanzelfsprekendheid maar een privilege dat steeds minder mensen genieten. Wie ze niet zelf produceert, moet levensmiddelen die niet vergiftigd zijn, duur betalen. Levensgevaarlijke toestanden uit de weg gaan op het werk, in het verkeer en in de publiek gevaar opleverende vrijetijdskermis, zou de meeste mensen wel eens kunnen tegenvallen. Ook in dit opzicht zijn het de mogelijkheden om zich terug te trekken, die steeds schaarser worden.

6. De veiligheid. Dit is waarschijnlijk de precairste van alle luxegoederen. Naarmate de overheid minder in staat is de veiligheid te garanderen, stijgt de particuliere vraag en daarmee de prijs. Lijfwachten, bewakingsdiensten, alarminstallaties - alles waar veiligheid van verwacht kan worden, maakt nu al deel uit van de leefgewoonten van de bevoorrechten, en deze bedrijfstak kan ook in de toekomst op hoge groeicijfers rekenen. Wie in de rijke buurten rondkijkt, krijgt al een vermoeden dat van de luxe van de toekomst geen onverdeeld genoegen valt te verwachten. Net als in het verleden zal luxe niet alleen vrijheid maar ook dwang met zich meebrengen. Want de bevoorrechte die zich in veiligheid brengt, sluit niet alleen de anderen uit: hij sluit zichzelf in.

Al met al leiden deze gissingen tot een totale ommekeer die niet zonder ironie is. Als er iets voor te zeggen is, dan ligt de toekomst van de luxe niet zoals tot nu toe in de vermeerdering, maar in de vermindering, niet in het vergaren, maar in het vermijden. De overvloed komt in een nieuw, zichzelf ontkennend stadium. Het antwoord op de paradox zou dan een nieuwe paradox zijn: minimalisme en onthouding zouden wel eens net zo zeldzaam, kostbaar en begeerd kunnen worden als ooit de ostentatieve verkwisting.

Zijn representatieve rol zou de luxe daarmee ongetwijfeld definitief verliezen. De privatisering van de luxe zou volledig zijn. De luxe zou geen toeschouwers meer nodig hebben, hij zou ze buitensluiten. Zijn logica zou er juist uit bestaan zich onzichtbaar te maken. Met een dergelijke terugtocht uit de werkelijkheid zou de luxe evenwel toch trouw blijven aan zijn oorsprong; want met het realiteitsprincipe lag de luxe van oudsher overhoop. Misschien is hij zelfs nooit iets anders geweest dan een poging weg te vluchten van de beslommeringen en de monotonie van het leven.

Nieuw en verwarrend is een andere kwestie die zich bij dit soort vooruitzichten aandient. Het is namelijk geenszins duidelijk wie er in de toekomst eigenlijk zullen profiteren van de luxe. De traditionele parameters als sociale positie, inkomen en vermogen zullen niet altijd de doorslag geven. Veel van wat hier ter discussie staat, zal een manager, een topsporter, een bankier of een belangrijk politicus zich eenvoudig niet kunnen permitteren. Genoeg ruimte en een zekere mate van veiligheid kunnen zulke mensen kopen. Maar ze hebben geen tijd en geen rust.

Omgekeerd kunnen werklozen, bejaarden en vluchtelingen, die samen in de toekomst de meerderheid van de bevolking zullen uitmaken, als regel vrij over hun tijd beschikken, maar het zou een aanfluiting zijn daarin een privilege te zien. Opeengepropt in kleine onderkomens, zonder geld en veiligheid, zullen velen van hen met hun vrije tijd niets kunnen beginnen. Het is moeilijk te zeggen hoe de schaarse goederen van de toekomst verdeeld zullen worden, maar één ding is duidelijk: Wie er maar één van heeft, heeft niets. Van rechtvaardigheid zal bij dat al netzomin sprake kunnen zijn als in het verleden. In dit verband zal de luxe in de toekomst in ieder geval blijven wat hij altijd was: een hardnekkige tegenstander van de gelijkheid.

mailIcon print |