*

 
dossier

Archief

Oubol

JAN KUIJK − 18/04/97, 00:00

Terug van vakantie. Dat betekent een hele stapel kranten doorlezen en wegwerken. Vandaar dat Antoine Bodars 'Open brief aan God' in deze krant mij met enige vertraging onder ogen kwam.

Waar deed die brief mij aan denken? In de jaren vijftig had de Groene Amsterdammer een opmerkelijk columnpje (wat staat dat onbeholpen, hoe spel je dat eigenlijk?), waarin Jac. van der Ster zich onder het pseudoniem Oubol als een opmerkelijke huichelaar deed kennen.

Een stel van die columns heeft Van der Ster herschreven (en 'gestructureerd' zoals dat heet - dat zouden columnisten meer moeten doen) voor een piepklein boekje: 'De mémoires van Oubol', dat ik onder de kleinodiën in mijn boekenkast koester.

Oubol bekent daarin dat hij eens naar de hoeren is geweest (“ik ging ver, ik ging zeer ver - de geoefende lezer zal mij begrijpen”; een geestige, maar misschien wat gedateerde zinspeling op de frasen in de boekbesprekingen die de r.-k. IDIL in die dagen via de KRO-radio verspreidde) en dat hij daarvoor een heel jonge meid had uitgezocht. Maar wie schetst zijn verontwaardiging toen hij ontdekte dat het meisje geen maagd meer was?

Er is een treffende anologie met Bodars optreden op het boekenbal en zijn direct daarop geschreven en gepubliceerd verslag. (Direct geschreven? Had Bodar het stuk al niet klaar liggen en ging hij alleen maar om zijn verontwaardiging-bij-voor

baat bevestigd te krijgen; precies waarom zoveel verontwaardigden toch niet de televisie uitzetten?)

Bodar moet de 'Mémoires van Oubol' maar eens lezen. Dat is stichtelijker dan menig theologisch geschrift. De lectuur zou ook aan hem als cultuur-historicus besteed moeten zijn, want Gerard Knuvelder neemt in zijn 'Handboek tot de moderne Nederlandse letterkunde' (2e druk, Den Bosch 1964, blz. 203) Van der Ster in de canon op - samen met o.a. Boman, Jacques Gans, Carmiggelt en Annie M. G. Schmidt. Jammer dat van ale deze mensen Van der Ster misschien nog alleen in mijn hoofd leeft.

mailIcon print |