Er zijn van die boeken waar je niet in uitgekeken raakt. Waarin je afdwaalt van beeld naar beeld en van betekenis naar nieuwe betekenis. Zo'n boek is het zojuist verschenen epos van de Australiër Robert Hughes over Amerika en zijn kunst. 'Amerikaanse visioenen' heet het. Dat zegt veel over het land en nog meer over het volk dat er vanaf het begin van de zeventiende eeuw kwam wonen.
De Puriteinen hebben mij altijd beziggehouden. Al waren zij streng en stijf en misschien ook wel te heilig voor mooi, toch sprak hun taal, hun typologisch denken waarin zij zichzelf zagen als een tweede volk van Israël, mij aan. Dat is nog steeds zo. Tot en met de zwartheid en de soberheid die daar aan vast zat. Zonder Puriteinen had Amerika geen Emily Dickinson gekend, geen Hawthorne, geen Melville en dus ook geen Winslow Homer (met zijn wilde zeeën en door haaien omringde zwarten op eenzame scheepjes) of Hopper. En dat was toch jammer geweest.
Hughes laat ook de minder visionaire kant van Gods tweede uitverkoren volk zien. De indianen hoorden bij de natuur en mochten dus zomaar met de bomen meegekapt worden. En ondanks al die mooie witte huizen was het beeld wel mooi uit den boze. “Het enige beeldhouwwerk dat aanvaardbaar was”, schrijft Hughes, “stond in dienst van de dood en de herinnering: de grafsteen.”
Hoewel de mens vanzelfsprekend gedoemd is om te sterven en de hemel meer biedt dan alle kunst op aarde, blijft het toch een wat mager begin van een overweldigende kunstgeschiedenis. Presser schreef in zijn geschiedenis van Amerika, dat God gelukkig een paar indianen voor de blanken spaarde om ze verder de weg te wijzen. Ik prijs de Heer dat hij, behalve het verre visioen over het graf heen, ook nog wat zondaren overliet voor het gewone handwerk, zodat Hughes en zijn lezers nu net wat meer van dat vreemde land kunnen zien dan wij er later ooit van zullen terugvinden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.