*

 
dossier

Archief

Starter met zijn warrige gedrag als boeman aangewezen

JOHAN WOLDENDORP − 10/02/98, 00:00

NAGANO - Bij een nederlaag hoort een zondebok. Jan Bos had die na twee mislukte slagen op de eerste van twee 500 meters al gevonden. Stanley Strzykalski heet de boeman. In de ogen van de internationale bond ISU een gerespecteerd starter, maar gisteren was hij volledig de kluts kwijt.

Drie kwartier deed hij er over om de eerste elf paren weg te schieten. Door zijn warrige gedrag regende het valse starts en werd ook nog een sprinter (de Rus Saveljev) gediskwalificeerd.

Winnaar Hiroyasu Shimizu viel onder het regiem van dezelfde starter, de keurig als vijfde in het tussenklassement staande Erben Wennemars (die voor het eerst onder de 36 secondengrens dook) eveneens. Wat dat aangaat, kan Strzykalski geen absolute nitwit zijn. Maar Bos, die zelden of nooit valste starts veroorzaakt, stond in zijn recht met de klacht dat de Amerikaan geen consequent beleid voerde. De sprinters kennen hem van wereldbekerwedstrijden als iemand, die tergend langzaam r-e-a-d-y zegt, vervolgens gevoelsmatig tien seconden wacht en pas dan het pistool laat afgaan. Bij de herkansing voor Bos klonk het schot vrijwel meteen. De wereldkampioen sprint was er niet op voorbereid, hakkelde bij het vertrek, had zodoende een catastrofale opening (10,21) en wist dat hij zich op de vervolgsessie van de olympische 500 meter geen illusies meer hoeft te maken. De eindscore van 36,66 werpt hem terug in de grauwe middenmoot.

Bos stond niet alleen in zijn klacht. Eigenlijk mocht er maar één man tevreden zijn over de Amerikaan: zijn landgenoot Casey Fitzrandolph. Die viel nogal opzichtig in het schot, maar kreeg van Strzykalski de zegen voor een goede reis. Een verbluffende opening (9,77, een fractie trager dan de erkende specialist, wereldrecordhouder Shimizu), die uitmondde in een mooie eindtijd, biedt hem een fraai uitzicht op de titel, als de Japanner tenminste gestand doet aan 's lands traditie op het beslissende moment te falen. De verbijstering over die voorkeursbehandeling - te vergelijken met de pikstart in het pré-klapschaatstijdperk - was groot. Bos: “Hij mocht voorover vallen, terwijl de rest voor een flitslicht al werd teruggeroepen.”

“Ik durf wel te zeggen dat de starter Fitzrandolph heeft bevoordeeld”, gooide de matig rijdende Jakko Jan Leeuwangh in het midden. Erben Wennemars, die wel enige hoop op een medaille mag koesteren, wilde om de lieve vrede niet zo ver gaan, maar bewaart wel slechte herinneringen aan de man. In een wedstrijd in Milwaukee, in november, kon hij na twee valse starts zijn trainingsjack aantrekken. Strzykalski heeft kennelijk school gemaakt in het American football. In die sport duurt het ellenlang voor het spel op gang wordt geholpen. “Een aardige jongen”, typeert sprintcoach Peter Müller hem, “maar hij kan niet starten”. De persoon in kwestie zegt de kritiek niet te begrijpen. “Ik pas slechts de regels toe. Iedereen heeft op de training met proefstarts de gelegenheid gehad mij te leren kennen. Sprinters zijn nerveus, die willen snel weg. Daar heb ik begrip voor, maar ik ben aan bepaalde voorschriften gebonden.” Hij zegt zich heel goed in een sportman te kunnen verplaatsen. “Ik heb een dochter die ook sprint. Nee, ze doet niet mee in Nagano. Ze was in de trials te langzaam.”

De sprinters zullen zich deze dagen op Strzykalski moeten instellen. Op de tweede 500 meter (vandaag) en zondag op de kilometer voert hij eveneens de regie. Na de ongekende triomfmars van eergisteren trachtte de Amerikaanse positivo Müller de aansluitende dag van Murphy - want tot overmaat van ramp produceerde een vallende Ids Postma in de eerste bocht ongewild een zak vol ijsblokjes - te doen vergeten door Bos alvast moed voor zijn favoriete duizend meter in te praten. “Beter één mislukking en goud dan vierde en vijfde”, had hij in de kleedkamer tegen hem gezegd.

Herstel van de ondermaatse 500 meter is in het geval Bos niet meer mogelijk, ofschoon het IOC in samenspraak met de ISU de tweede manche in het leven heeft geroepen om eventuele weeffoutjes nog recht te breien. Ironisch genoeg (waarover later) is de vermeende rechtsongelijkheid tussen de laatste binnen- en buitenbocht voor het olympisch comité de aanleiding geweest eindelijk overstag te gaan. Sinds 1975 wordt op een wereldkampioenschap sprint twee maal de 500 en de 1000 meter gereden. In 1963, toen de Rus Jevgeni Grisjin als eerste onder de veertig seconden dook, hadden de toppers al moeite met de laatste binnenbocht. De Noorse statisticus Nils Lid Hjort, als hoogleraar wiskunde verbonden aan de universiteit van Oslo, heeft becijferd dat het verschil zes-honderdste seconde bedraagt. Geprojecteerd op de 500 meter van Calgary (Olympische Spelen van tien jaar geleden) zou Jan Ykema slechts vierde zijn geworden, indien hij de binnenbaan - en dus de laatste buitenbocht - had geloot. Nu won hij verrassend zilver achter de Oost-Duitse geweldenaar Uwe-Jens Mey, die onder beide omstandigheden moeiteloos kampioen zou zijn geworden.

Het voorstel om ook op de Winterspelen een dubbele 500 meter te introduceren, werd op het ISU-congres van 1992 besproken, maar haalde Lillehammer ('94) niet. Op de in 1996 ingevoerde WK afstanden wordt de 500 meter ook twee keer afgelegd, zij het op dezelfde dag. Maar de IOC-bonzen willen er graag een keertje extra aan verdienen. Er bestaan zelfs plannen om de kilometer in twee series te laten verrijden. Daarbij zou een psychologisch effect tot diepere achtergrond worden geproclameerd. Wie in de binnenbaan start, neemt op zijn marsroute drie keer een binnen- en slechts twee maal een buitenbocht. Of andersom natuurlijk. De Winterspelen duren lang genoeg om een kwantitatief mager programma nog verder op te rekken, maar of het gewenst is is een tweede.

Bij vrouwen is het tijdsverschil tussen de twee bochten nog minder dan marginaal, zo heeft Hjort uitgerekend. Jan Bos vraagt zich af of een schaatser bij een laatste binnenbocht wel in het nadeel is. Hij denkt van niet. De feiten van gistermiddag geven de Gelderlander gelijk. De snelste vijf (respectievelijk Shimizu, Overland, Fitzrandolph, Sylvain Bouchard en Wennemars) hadden volgens de theorie van Hjort nooit in die hoge positie verzeild kunnen raken omdat ze immers in de buitenbaan startten. “Ik heb het liefst de laatste binnenbocht”, stelt Bos zelfs onomwonden. “Iedereen kan tegenwoordig een goede binnenbocht lopen. Zeker hier, waar je wijde banen hebt. Bovendien is het veel lekkerder om naar iemand toe te rijden, dan wanneer je bang moet zijn dat je tegenstander je in de laatste bocht nog voorbij gaat.”

Wetenschappelijke onderzoeken leren dat de klapschaats voor bepaalde rijders wel eens een grotere stoorzender kan blijken te zijn. Hoe langer de benen, des te meer effect sorteert de 'klapper', surappusukeeto zoals de Japanners zeggen. Aziatische schaatsers ondervinden er derhalve de meeste problemen van. Van de vier sprinters uit het gastland verbeterde alleen Toshiyuki Kuroiwa zijn persoonlijk record op de 500 meter op klapschaatsen. Maar wat is wetenschap in dit geval? Kuroiwa heeft echter wel de langste benen van de vier.

mailIcon print |