DEN HAAG - “De opstelling van de televisiecamera's zal zodanig zijn dat herkenning uitgesloten is. Zogenaamde close-up opnames zijn niet mogelijk.” Zo luidt letterlijk het compromis dat de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden en minister Sorgdrager (justitie) hebben gesloten over het getuigeverhoor van de geheimzinnige politiemedewerker R. Karstens.
Daarmee kan een punt worden gezet achter een affaire met een hoog hilariteitsgehalte. De merkwaardige kwestie-Karstens ontstond toen de infiltratie-chef van de Centrale recherche-informatiedienst maandag weigerde te verschijnen voor de commissie-Van Traa. Karstens had aangekondigd zich te willen vermommen. Maar hij rekende er bovendien vast op dat er in de zaal van de Eerste Kamer nog een tweede maatregel zou worden getroffen om zijn onherkenbaarheid te waarborgen: geen camera die hem tijdens het verhoor in het gezicht kon filmen.
Die laatste afspraak was tevoren echter niet gemaakt. Waarop beide partijen nukkig het been stijf hielden. De enquêtecommissie weigerde op het laatste moment nog haastig iets aan de camera-opstelling te veranderen, Karstens vertrok nijdig met wapperende jaspanden uit het gebouw van de Eerste Kamer, met steun van zijn minister die het zelfs van 'staatsbelang' achtte dat de CRI-baas niet in het gezicht gefilmd zou worden.
Van Traa kwam gisteren vertellen dat overleg met minister Sorgdrager toch nog tot een oplossing heeft geleid. Karstens komt alsnog. Wanneer hij zal worden gehoord over de kennis die hij heeft over infiltratie bij misdaadorganisaties is nog niet duidelijk. Wellicht gebeurt dat volgende week.
Het nieuwe akkoord is tweeledig. De commissie zal niet al te lastige vragen stellen, was al eerder afgesproken. Dat betekent dat de hoofdinspecteur geen gegevens hoeft te verstrekken over lopende infiltratieprojecten. Dat kan immers zeer gevaarlijk zijn voor de mensen die met een valse identiteit bij misdaadbendes onder dak komen om die in kaart te brengen. En wat de camera-opstelling betreft hebben minister en enquêtecommissie beiden een beetje toegegeven. Er mag toch van voren worden gefilmd, maar slechts met een 'wijd beeld', waarbij de zoomlens buiten gebruik dient te blijven.
Per saldo was het een merkwaardig compromis dat Van Traa op het departement van justitie sloot. Als gastheer in de Eerste Kamer heeft zijn commissie dan wel enige zeggenschap over de plek waar de NOS-cameralieden mogen staan, maar het is ongetwijfeld een novum in de parlementaire geschiedenis dat een Kamerlid zich ook nog eens bemoeit met de vraag of een cameraman zijn zoomlens mag gebruiken of niet. Een 'verboden' handeling die ter plekke trouwens niet valt te controleren. De cameraman kan een close-shot maken voordat het slachtoffer met zijn ogen heeft geknipperd.
Van Traa rekende er maar op dat hierover goede afspraken waren te maken met de NOS. En die kwamen er gisteren dan ook. Al bleef Den Haag-Vandaagchef Mingelen ietwat verbaasd: “Het was toch onzorgvuldig van Van Traa om op justitie een deal te sluiten over het camera-gedrag, zonder dat hij tevoren overlegde met de NOS.”
Dat Van Traa en de zijnen de zaak zo hoog hebben opgespeeld is des te merkwaardiger omdat er nu ook weer niet zulke hoge journalistieke principes in het geding zijn. De openbaarheid van Karstens' verhoor is uiteraard belangrijk, maar de vraag of hij nu in zijn gezicht mag worden gefilmd is hooguit van belang voor de levendigheid van de uitzending. Geen fatsoenlijke journalist zal een vermomde politieman proberen te ontmaskeren, die voor zijn eigen veiligheid en in het belang van zijn infiltratie-operaties onherkenbaar wil blijven. Karstens zou dus volgens doodgewone journalistieke principes op anonimiteit mogen rekenen. En zou, zo bezien, afgelopen maandag de camera van voren niet zijn uitgeschakeld als daar op het laatste moment door de enquêtecommissie om was zijn gevraagd?
De affaire-Karstens heeft daarom al met al weinig met openbaarheid te maken, maar meer met irritatie tussen de enquêtecommissie en het departement van justitie. De Kamerleden in de commissie zijn aangekleed met zware bevoegdheden uit de wet op de parlementaire enquête en voelen zich in hun hemd gezet wanneer ze al te veel tegenwerking krijgen van getuigen die een geheugen als een zeef blijken te hebben, of erger nog, als iemand helemaal niet op komt dagen. Minister Sorgdrager aan de andere kant koos ook wel voor de weg van overkill toen ze in deze kwestie schermde met het belang van de staat.
Karstens is inmiddels de tweede politieman die vermomd voor de commissie verschijnt, na getuige Kloosterman. Voor zijn wens geschminkt te worden was veel begrip. Hij zou als bekend TV-figuur niet meer kunnen werken voor zijn observatieteam, dat gespecialiseerd is in het volgen van verdachten. Karstens is echter een chef die vanachter het bureau operaties leidt. Dat verklaart wellicht waarom Van Traa hem minder bescherming wilde bieden dan Kloosterman. Van Traa wil daar niet niet meer over kwijt dan de opmerking: “De commissie maakt een eigen afweging over de risico's voor getuigen.”
De nieuwste afspraken met justitie moeten verder voorkomen dat de komende weken nog meer van dit soort problemen opduiken met getuigen die niet voor de camera willen. Justitie belooft tijdiger te waarschuwen voor speciale wensen, de enquêtecommissie zal eerder laten weten hoe met verzoeken om onherkenbaarheid zal worden omgesprongen.
Nu de lange tenen zijn ingetrokken, wordt het wel spannend om te horen wat Karstens werkelijk te vertellen heeft voor de commissie. Beide partijen kennen elkaar trouwens goed. Zowel in 1994 als eerder dit jaar voerde de onderzoeksclub van Van Traa gesprekken met hem achter gesloten deuren. Aannemelijk is dat de CRI-man toen meer vertelde dan hij in het openbaar kwijt kan. Maar de enquêtecommissie mag die besloten gesprekken nu eenmaal niet gebruiken voor het openbare rapport dat moet worden geschreven over de opsporingstechnieken van de politie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.