*

 
dossier

Archief

Paus Pius XII prees oorlogsverzet Nederlandse bisschoppen

TON CRIJNEN − 22/01/96, 00:00

Ton H. M. van Schaik: Aartsbisschop in oorlogstijd; uitg. Gooi & Sticht, Baarn, 106 blz., f 22,50

Zoals onder meer blijkt uit onderzoek van dr. L. de Jong waren de contacten tussen de paus en de Nederlandse bisschoppen in de oorlog juist erg hartelijk, maar wel gebrekkig. Reeds in de zomer van 1940 kreeg de internuntius (gezant) mgr. Giobbe van de Duitsers te horen dat hij diende te vertrekken. Het officiële contact tussen Nederlands episcopaat en Vaticaan liep daarna via de (pro-Duitse) nuntius in Berlijn.

De Utrechtse aartsbisschop Jan de Jong liet echter de meer vertrouwelijke stukken verzenden door zijn Amsterdamse oud-studievriend, dr. J. Drehmanns. Deze vertaalde ze eerst in het Italiaans, gaf ze vervolgens aan de Italiaanse consul in de hoofdstad (een betrouwbaar contact), waarna ze werden doorgesluisd naar de broer van oud-nuntius Giobbe in Rome.

Deze werkte op het Italiaanse ministerie van buitenlandse zaken en zorgde ervoor dat de rapporten snel het Vaticaan bereikten. Die weg bleef tot de herfst van 1943 in stand. Als de door Van Schaik vermelde brief van de Nederlandse bisschoppen aan de paus inderdaad is geschreven - er is kennelijk nog niet in de Vaticaanse archieven gezocht - dan is hij vrijwel zeker ook langs deze ingewikkelde route bij Pius XII beland.

Inborst

Het was geen eenrichtingsverkeer, al kwamen reacties van paus en curie via andere kanalen. Het eerste bericht dat de aartsbisschop na mei 1940 uit Rome ontving, was een brief van de paus, eind dat jaar meegebracht door een in Rome wonende pater die met verlof naar Nederland mocht. Daarin prees hij de 'pectoris firmitatem' (vastheid van inborst) die sprak uit het mandement (herderlijk schrijven) van de Nederlandse bisschoppen ter gelegenheid van het eeuwfeest van St. Willibrord op 7 oktober 1940. Hierin lieten zij demonstratief een duidelijk nationaal geluid horen.

Op 26 januari 1941 gingen de bisschoppen een forse stap verder. Alleen al NSB-lid zijn noemden ze “in hoge mate ongeoorloofd” en ze verboden de gelovigen ook toe te treden tot de Nederlandse SS en andere nazi-organisaties. Dat kwam hard aan in een tijd waarin voor de meeste katholieken het woord van een bisschop nog wet was.

Een reeks brieven en circulaires volgde. Hierin werd geprotesteerd tegen de politiek van gelijkschakeling die de bezetter ook tegenover r.-k. organisaties begon te voeren, en tegen het verwijderen van joodse kinderen van r.-k. scholen.

Wat het bisschoppelijke schrijven van januari '41 betreft, daarvan zond mgr. Giovanni Montini, de latere paus Paulus VI en toen naaste medewerker van Pius XII, een samenvatting aan Amleto Cicognani, apostolisch gedelegeerde van het Vaticaan in Washington. Montini verzocht hem de brief te publiceren, wat op 10 februari ook gebeurde in NCWC, het officiële orgaan van de Amerikaanse r.-k. bisschoppen.

Begin januari '42 meldde dr. J. A. E. van Dodewaard, die (veel) later bisschop van Haarlem zou worden, zich bij De Jong met een mondelinge lofuiting van Pius XII. Van Dodewaard, die in Rome studeerde en met moeite een visum voor bezet Nederland had gekregen, was kort voor zijn vertrek bij de paus ontboden.

Deze liet weten dat de Nederlandse bisschoppen “energici e forti” (energiek en krachtig) waren en dat hem dit “ten zeerste” beviel. Enkele maanden later liet de paus tegenover L. G. A. Slichting, hoofdredacteur van het katholieke dagblad De Tijd, die een bezoek aan Rome bracht, weten: “Zeg tegen uw bisschoppen dat ik hen bemin en hun houding goedkeur”.

Dat jaar kwam Pius XII in zijn kerstboodschap het dichtst bij wat men een veroordeling van de jodenvervolging zou kunnen noemen. De paus had het over “de honderdduizenden onschuldige mensen, ter dood gebracht of gedoemd tot een langzame uitroeiing, soms alleen vanwege hun ras of afkomst”.

Pius XII vond dit al een krachtige uitspraak. De nazi's ook. Het ministerie van buitenlandse zaken in Berlijn constateerde: “Hij (de paus) spreekt zich duidelijk uit voor de joden...Hij beschuldigt in feite het Duitse volk van onrecht jegens de joden, en maakt zich tot spreekbuis van de joodse oorlogsmisdadigers.”

De Duitse minister van buitenlandse zaken Von Ribbentrop gaf zijn gezant bij de Heilige Stoel opdracht het Vaticaan te dreigen met vergelding. De gezant schreef echter terug: “Pacelli is even immuum voor dreigementen als wij.” (Peter Hebblethwaite: Paul VI, the first modern pope)

Ruim een jaar later ontving het Nederlandse episcopaat, dat op 20 juli '42 openlijk protest had aangetekend tegen het wegvoeren van de joden uit Nederland, een nieuwe pauselijke steunbetuiging. Ze werd in de zomer van 1943 overgebracht door drie jezuïeten die in Rome hadden gestudeerd. Voordat ze naar Nederland terugkeerden, wisten ze een privé-audiëntie te krijgen bij de paus. Een hunner gaf na de oorlog het volgende verslag. Na verteld te hebben dat hij alle bisschoppelijke brieven had gelezen, zei de paus:

“Ah! die bisschoppen van u! Ik geloof niet dat er een land is waar de bisschoppen zo moedig en krachtig hebben opgetreden...Telkens als de Duitsers met een nieuwe maatregel kwamen, waren uw bisschoppen er aanstonds bij. Weigeren was hun systeem, weigeren...uw bisschoppen zeiden steeds nee, steeds! Ze gaven niets toe, niet zóveel (gebaar met duim en wijsvinger). Wanneer ge in uw vaderland terugkomt, moet ge uw bisschoppen zeggen dat ik een grote bewondering voor hen heb. Zeg dat de Heilige Vader de houding van de Nederlandse katholieken bewondert en dat hij veel troost heeft geput uit hun standvastigheid en hun trouw aan het geloof en aan de kerk. Ja, zegt het zo: de Heilige Vader dankt de Nederlandse katholieken voor alles wat ze doen voor de kerk.”

Toen mgr. De Jong deze lof te horen kreeg, liepen, aldus dr. L. de Jong, de tranen hem over de wangen. Voor deze gezagsgetrouwe prelaat was het de bevestiging dat zijn principiële koers juist was. Hij had deze vaak door de strot moeten duwen van zijn Brabantse collega-bisschoppen, P. A .W. Hopmans van Breda en A. F. Diepen van Den Bosch (tot juni '42). Zij waren veel angstvalliger dan hij, getuige het feit dat ze in juni 1940 zijn poging blokkeerden openlijk te protesteren tegen de 'Ariërverklaring' die de Duitsers van alle ambtenaren eisten om zo joden te kunnen ontslaan. (De twee andere bisschoppen, J. P. Huibers van Haarlem en J. H. G. Lemmens van Roermond zaten meestal op één lijn met De Jong, ook Diepens opvolger W. P A M. Mutsaerts).

In zijn korte, op genoemd punt na weinig opzienbare, maar toch nuttige biografie van De Jong geeft Van Schaik duidelijk aan dat 'IJzeren Jan' - de geuzennaam die de aartsbisschop tijdens de oorlog kreeg - in werkelijkheid een ziekelijke, onhandige, verstrooide, conservatieve kamergeleerde was, die regelmatig door zijn medewerkers over aarzelingen heengetild moest worden.

De journalist Richard Auwerda vult in zijn boek De kromstaf als wapen Van Schaiks waarnemening als volgt aan: “Menig politieman, vakbondsleider of ambtenaar belde in 1940-'45 aan bij Maliebaan 40 om te vragen of ze toch niet met een bepaalde maatregel van de bezetter mochten meewerken, omdat zij anders met hun gezin moesten onderduiken. Dan was het vicaris Huurdemans of (secretaris) Geerdinck die telkens weer de (uit pastorele bewogenheid tot toegeven geneigde, red.) aartsbisschop moesten helpen herinneren: “Monseigneur, wat heeft u daarover zelf bepaald?!”

De Jongs twijfels waren overigens begrijpelijk gezien de verstrekkende gevolgen die zijn uitspraken en besluiten voor mensen konden hebben en hadden (zie de prompte deportatie van de katholieke joden in juli' 42, na het bisschoppelijk protest tegen de algemene jodenrazzia's).

Een geboren held was de introverte Amelander zeker niet. Van Schaik: “Zijn aard was er eerder een van soepelheid en inschikken. Maar toen hij eenmaal de ware aard van het nazisme meende te hebben begrepen - en dat was al heel vroeg - vond hij dat hij er als historicus en later als bisschop niet over kon zwijgen. Hij moest spreken en hij deed het in heldere, voor iedereen begrijpelijke taal.” Duitse pogingen hem te intimideren hadden geen succes.

De Jong - kort na de oorlog zou Pius XII hem voor zijn rol in de oorlog tot kardinaal benoemen - was echter een typerend voorbeeld van de man die onder druk van de omstandigheden boven zichzelf uitrees en voor veel Nederlanders, niet alleen katholieken, een symbool werd van verzet (de weinig oecumenisch ingestelde De Jong was zelfs bereid samenwerking te zoeken met de protestantse kerken).

Slappe boel

Zo getuigde de zoon van een Utrechtse politieman die, onder de indruk van het aartsbisschoppelijk vermaan, verder afzag van het ophalen van joden: “De katholieke kerk als geheel vonden we maar een slappe boel, maar naar de aartsbisschop werd bij ons thuis geluisterd”. Ze waren de enigen niet.

Karakteristiek voor De Jongs opstelling was de, door Van Schaik terecht weer opgehaalde, scène uit juni '40 toen adviseurs de aartsbisschop wilden overhalen openlijk positief te reageren op de sussende rede waarmee Reichskommissar Seyss-Inquart twee weken na de Nederlandse capitulatie het gezag overnam: “Wat een onzin, heren!”

Even kenmerkend was echter de bisschoppelijke brief die met De Jongs instemming verscheen op 5 september 1944, de dag ('Dolle Dinsdag') waarop ineens de bevrijding voor de deur leek te staan. Daarin riep de aartsbisschop niet alleen op elke wraakzucht te vermijden, maar gaf hij ook opdracht kerkasiel te verlenen aan iedere 'foute' Nederlander die het slachtoffer dreigde te worden van de volkswoede.

Het zijn dit soort voorbeelden die Van Schaiks portret van De Jong, een gecompliceerder man dan op het eerste gezicht lijkt, kleur en diepgang geven. Al blijft het wachten op een nieuwe, uitgebreide biografie die de gedateerde (1955) van H. W. F. Aukes kan vervangen.

mailIcon print |