Van een onzer verslaggevers AMSTERDAM - “Wat een vrouw”, dacht Achille Mbembe, starend naar het beeld van de Heilige Maagd. In de missiekerk van zijn geboortedorp in de buurt van de Kameroense hoofdstad Jaoende bezocht Mbembe gedurende zijn jeugd iedere week de mis. Een gelovig mens is hij er niet van geworden, het kijken naar het Mariabeeld leerde hem wel wat pure verliefdheid is.
Achille Mbembe was als gastspreker aanwezig op het programma 'Missie en zending, ontwikkelingswerk in historisch perspectief' dat van januari tot en met maart in het Soeterijntheater loopt. Het Soeterijntheater is een onderdeel van het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam.
Op achttien avonden presenteert het theater verschillende elementen van een fenomeen dat zozeer met de verzuiling verbonden is geweest dat het heden ten dage nog twee verschillende aanduidingen behoeft: (r.-k.) missie en (protestants) zending.
Historisch filmmateriaal is een belangrijk onderdeel van het programma. Vooral de vooroorlogse propagandafilms van de kerkgenootschappen, bedoeld om de toeschouwer op te wekken tot een gulle gift, zijn grappig om te zien.
De nooddruftige heiden heet daarin nog 'die arme drommel', kolonialisme spreekt vanzelf en het is steevast 'eind goed al goed', wanneer de broeders of zusters de laatste heiden uit het dorp bekeerd hebben.
'Rawana, de demon van het opium' was een hoogtepunt in dezen. Zeer leerzaam bovendien voor wie zich altijd heeft afgevraagd welke handeling er schuilgaat achter de aanduiding 'opium schuiven'. Of dergelijke films iets toevoegen aan het debat over imperialistische bevoogding, blijft de vraag. De vertoningen zouden in een filmmuseum eigenlijk meer op hun plek zijn.
Het vertoog van Achille Mbembe, secretaris van het Centre for Development of Economic and Social Research in Africa (Codesria), was daarentegen inspirerend. Kerst was ook in zijn geboortestreek een datum om naar toe te leven: dan kwam namelijk de overgang van het natte naar het droge seizoen.
Zijn verliefdheid op het Mariabeeld is een ander voorbeeld van de totale vertekening die het geloof zélf ondergaat, wanneer het wordt getransporteerd van het ene continent naar het andere. Het beeld zelf overheerste voor Mbembe de betekenis van de afgebeelde. Dergelijke discrepanties monden uit in de vraag die Mbembe zich nu stelt: “Wat wil het zeggen dat ik gedoopt ben?”.
Op het katholieke internaat waar Mbembe van zijn twaalfde tot zijn zeventiende verbleef, werd onder de jongens niet over dergelijke twijfel gesproken. Evenmin bestond er scepsis tegenover de verhalen van hun ouders en grootouders over de antikoloniale strijd. In die verhalen speelden wel andere goden dan de zoon van de Heilige Maagd een rol.
Ook was er een groot verschil in de perceptie van de tijd en de mens tussen beide elementen van Mbembe's omgeving. Mbembe sprak van 'verschillende universums van betekenis'. Wat het individu betreft, was de christelijke scheiding tussen lichaam en geest iets onbegrijpelijks voor de Afrikanen. Omgekeerd verboden de missionarissen het traditionele getrommel van de Afrikanen, omdat ze niet gerust waren op de religieuze betekenis van de muziek en het erotische gedans.
Mbembe verklaart zijn eigen onvermogen om te geloven als volgt: “De christelijke verhalen en de verhalen van mijn grootmoeder, neutraliseerden elkaars waarheidsclaim.” Hij tekent daarbij aan dat hij met die conclusie alleen stond in de gemeenschap.
Enigszins krampachtig moest het verhaal van Mbembe een contrapunt krijgen in het betoog van professor Peter van der Veer (godsdienst en maatschappij). Na Mbembe schetste Van der Veer zijn jeugdervaringen in het streng gereformeerde Groningen.
Dit betoog werd evenzeer gekenmerkt door een vervlechting van persoonlijke details en grotere historische verbanden als dat van Mbembe. De gedachte was dat zo een tweezijdige indruk van de missie en zending zou ontstaan. Maar Van der Veer is gereformeerd, Mbembe had met het katholicisme te maken, in zijn werk heeft Van der Veer zich op het Verre Oosten gericht en niet op Afrika. De wisselwerking tussen een zender en een ontvanger van zielenheil kwam daardoor niet helemaal uit de verf.
In het tweede gedeelte van de avond werden Mbembe en Van der Veer geïnterviewd door schrijver en publicist Anil Ramdas. Mbembe ging verder in op de vraag wat het voor hem betekende 'bekeerd' te zijn, al gelooft hij dan niet.
De christelijke verhalen waren in de eerste plaats een bron van inspriratie voor zijn fantasie, aldus Mbembe. Niet verwonderlijk was zijn toenadering tot het geloof het sterkst geweest toen hij kennismaakte met de bevrijdingstheologie. Maar tevens was het juist de politisering van zijn eigen denken die de geloofsaanvaarding voor Mbembe onmogelijk maakte.
Noch de verhalen die hij van zijn grootouders hoorde, noch de christelijke verhalen op de missieschool, konden voor hem het drama van Afrika verklaren of aanvaardbaar maken. “Ik concludeerde dat het allemaal bijgeloof is en dat het ene bijgeloof niet meer waard is dan het andere.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.