*

 
dossier

Archief

UIT DE WEST

MARIJKE VERDUYN − 03/04/98, 00:00

Prof. dr. Sonny Hof neemt vandaag afscheid als hoogleraar ethiek en homiletiek vanwege de lutherse kerk aan de Universiteit van Amsterdam. Hij vindt het een goed moment om met emeritaat te gaan. Er voltrekken zich aan de universiteit zoveel veranderingen: het opgaan van de theologische faculteit in de faculteit der geesteswetenschappen en de besprekingen over samenwerking met de Vrije Universiteit. “Ik ben vanaf 1985, toen ik hoogleraar werd, continu bezig geweest met reorganisaties. Aan onderzoek kwam ik nauwelijks toe, ik was al blij als ik fatsoenlijk aan mijn onderwijstaken kon voldoen.”

Als kerkelijk hoogleraar nam hij ook zijn verantwoordelijkheden jegens de kerk serieus. Afgelopen november nam hij afscheid als prae-adviseur van de lutherse synode, maar de werkgroep kerkorde ten behoeve van Samen-op-weg wil hij afmaken: 'we mikken op 2002'.

Als de hervormde synode hem dat tenminste niet te moeilijk maakt met haar voorstel tot de naam Verenigde Kerk der Hervorming. “Ik word daar niet moe van, ik word daar gewoon boos over. Ik vind het een afschuwelijke naam. Je krijgt het je strot niet uit. Maar belangrijker vind ik dat het inhoudelijk niet kan. Er is een kerk van God, of een kerk van Jezus Christus, maar niet een kerk van de Hervorming. De Reformatie is hooguit een bepaling bij de kerk, maar nooit andersom!”

Het is een breekpunt voor hem. Er zijn grenzen. Dit is er één van. Hij kan zich de lacherige reacties wel voorstellen. “Ik kan dit niet uitleggen aan vrienden die nauwelijks iets van de kerk afweten. Ik vertel wel eens iets en dan zie ik die blik in hun ogen: jongen, waar ben jij toch mee bezig?”

Sonny Hof is geboren in Paramaribo. In een gezin dat werd gevormd door zijn grootmoeder en moeder. Zijn vader kwam zo nu en dan op bezoek, maar speelde geen rol van betekenis in de opvoeding. “Het bezoekhuwelijk heeft zijn wortels in de slavernij. Slaven mochten niet trouwen. Als een slaaf een partner had op een andere plantage, werd alleen bezoek soms oogluikend toegestaan.” Zijn grootmoeder vormde hem godsdienstig: ze had de gewoonte 's morgens - voor zichzelf, maar hardop - uit de bijbel te lezen. “En dat hoorde ik natuurlijk ook. Aan de hand van mijn grootmoeder ging ik naar de kerkdiensten van de Broedergemeente.” Later ging hij met andere familieleden mee naar de Lutherse kerk en deed hij daar ook belijdenis. Na de mulo ging hij naar de rechtsschool, met het doel advocaat te worden. “Dat was een middag- en avondopleiding. Overdag werkte ik als notaris-klerk en later - als broekie van nog geen achttien jaar oud - als inklaarder van alle binnenlopende schepen van een grote handelsfirma.” De lutherse predikant, die ook Latijn gaf op de rechtsschool, stelde hem voor predikant te worden, de eerste zwarte predikant in de lutherse kerk aldaar. En dat leek hem wel wat. “Ik was niet zo erg vroom, maar de rol die een predikant speelde in de samenleving, trok me wel aan. Bij alle belangrijke gebeurtenissen in het leven van de mensen was de predikant betrokken. Bijzondere verjaardagen werden gevierd met de predikant erbij. En predikanten waren ambtenaren, hun salaris werd betaald door het gouvernement, dat vond ik ook wel mooi.”

Tijdens de oorlog had koningin Wilhelmina plechtig verklaard dat de overzeese gebiedsdelen zelfstandig moesten worden en Suriname bereidde zich voor op die onafhankelijkheid. Op welke posities zouden straks eigen mensen nodig zijn? Begin jaren vijftig vertrok Hof met de eerste grote lichting jonge Surinamers naar Nederland voor een vervolgopleiding. Hij deed de laatste drie klassen van het gymnasium in Zeist en ging daarna theologie studeren aan de Universiteit van Amsterdam. “Toen ik afgestudeerd was, wilde ik teruggaan, maar de predikant zei: doe eerst nog maar wat ervaring op in Nederland, want anders wordt Paramaribo je eerste en laatste gemeente.” Hij deed zijn doctoraal, werd predikant in de lutherse gemeente van Enkhuizen en Hoorn en promoveerde op het dogmenhistorische onderwerp Kerkstructuren bij paus Leo de Grote.

Inmiddels was hij getrouwd en vader van drie kinderen. En toen in zijn tweede gemeente een Surinaamse delegatie op bezoek kwam, die hem vroeg nu toch naar Paramaribo te komen, weigerde hij na rijp beraad. “Mijn kinderen waren hier volledig geworteld. Voor hen was Suriname een onbekend land. Maar het belangrijkste was dat ik niet in dienst van het gouvernement wilde zijn. Ik was inmiddels politiek veel bewuster en wilde niet financieel afhankelijk zijn van de regering. Die garantie konden ze me niet geven. Daarom besloot ik niet te gaan: een predikant moet onafhankelijk zijn. Ik vond het heel moeilijk, heel naar. Ik was weggegaan met de bedoeling terug te gaan. Het land had mensen nodig, ik liet ze in zekere zin in de steek.”

Aan de andere kant werd hier ook gezegd: het is belangrijk dat je hier blijft, terwille van de Nederlandse samenleving, die ook andere geluiden nodig heeft dan de oer-Nederlandse.

Die geluiden liet hij onder andere horen in de anti-racismewerkgroep van de Amsterdamse Raad van kerken. “Men was zich nog nauwelijks bewust van het latente racisme in Nederland.” Begin jaren vijftig was hij een van de weinige buitenlanders en daarmee interessant. Alhoewel het al wel eens kriebelde als mensen zeiden: kom binnen, ga zitten, wij discrimineren niet!

“Maar ik herinner me nog goed een radiouitzending, dat moet toch ook begin jaren vijftig zijn geweest, waarin IKOR-dominee Klijn aan luisteraars vroeg hoe ze het zouden vinden als hun dochter met een zwarte thuiskwam. Ik was helemaal onthutst door alle negatieve reacties! Ik heb in die tijd wel eens gezegd: geef mij maar liever de Verenigde Staten, waarin zwarten rustig in hun gezicht wordt gezegd dat ze niet welkom zijn. Dat is tenminste eerlijker dan dat achterbakse gedoe hier. Totdat ik merkte hoe pijnlijk dat kan zijn. Toen men hier ook open en eerlijk werd, kwam dat geweldig hard aan en had ik liever gehad dat ik dat niet had hoeven weten.”

“Er vond in de loop der jaren een verharding plaats, zonder dat de Nederlanders dat zelf onderkenden.” Binnen de kerk en de universiteit verkeerde hij natuurlijk in een beschermd milieu. “Maar daarbuiten overkwam het me wel dat ik in een winkel een ijsje ging kopen, zei dat ik aan de beurt was en iemand zei: wat denk jij wel? Wegwezen jij.” Hij lacht terwijl hij het vertelt. Het zijn dingen die je eigenlijk alleen maar lachend kan vertellen - uit zelfbescherming.

“Maar van binnen ga je een beetje kapot. Ik was me altijd wel bewust geweest van zoiets als rassenonderscheid: in Suriname zijn verschillende ethnische groepen en onderlinge tegenstellingen. Maar het zwart-zijn had geen politieke betekenis voor me. Het speelde gewoon niet zo'n rol. Dat begon te veranderen toen het in de Nederlandse samenleving ging spelen. Het begon met de stroom gastarbeiders. In mijn tweede gemeente, Delft, ging ik me eraan stoten dat er zo werd afgegeven op gastarbeiders. Maar het ging pas een beslissende rol spelen, toen ikzelf in het geding kwam en ik mijn eigen pijn eraan ging ervaren.”

Gaandeweg werd het zwart-zijn zowel politiek als theologisch van betekenis. Hij stelde het aan de orde, ook al wilden veel mensen het liever 'gezellig' houden. Net zoals hij zelf aanvankelijk. Theologisch herkende hij zich in de bevrijdingstheologie en de zwarte theologie met hun aandacht voor mensen die lijden onder onrecht, geweld en onderdrukking.

“Ik ging me met die groepen identificeren, hoe beschermd ik ook was. Ik ging inzien dat het in de theologie primair gaat om de vraag hoe je ervoor kunt zorgen dat mensen zo goed mogelijk (met elkaar) kunnen leven, dat ze gelukkig zijn. Om de vraag welke mechanismen ertoe leiden dat dat niet gebeurt. Om de vraag welke veranderingsprocessen nodig en mogelijk zijn met het oog op de bevrijding en de emancipatie van mensen.”

In de top van de kerk en aan de universiteit - hij was in 1972 studentenpredikant geworden - waren deze inzichten niet ongebruikelijk. Maar de vertaling naar het grondvlak was moeilijk. “'Gewone' kerkmensen waren bang voor kerkscheuring en vuile handen.” Het was de tijd van 'geen kerkegeld voor geweld'. Kerkelijke hulp aan de Latijns-Amerikaanse bevrijdingsbeweging en aan het ANC lag op zijn minst gevoelig.

Toen hij in 1985 hoogleraar werd, ging zijn inaugurele rede over geweld en bevrijding. “In kringen van kerk en theologie werd geweld uit den boze geacht. Maar ik zei dat het theologisch te verdedigen is dat - als alle vreedzame middelen zijn uitgeput - geweld wordt gebruikt om mensen te bevrijden van onderdrukkende structuren. Ook van God wordt gezegd dat Hij geweld gebruikt ter wille van de bevrijding. Ik vergeleek het met noodweer, tegengeweld.”

Mede door zijn eigen ervaringen is de vraag naar de relevantie van theologie voor hem steeds wezenlijker geworden.

“Mijn biografie is voor mijn theologie niet onbelangrijk. Ik zie mezelf als ontworteld. Ik heb al jong moeten loslaten, waardoor ik ook theologisch mijn ziel en zaligheid niet in één theologie heb gelegd. Ook in de theologische zin van het woord ben ik een migrant. In de theologie ligt principieel niets vast. Elk antwoord is voorlopig, for the time being. Je bent een nomade, een zwerver, onderweg. En wezenlijk is hoe je antwoorden doorwerken in samenlevingsvragen, politieke vragen.”

Zijn studenten bond hij dan ook twee dingen op het hart: de universiteit heeft een vrij hoog abstractieniveau, maar een goede theorie moet relevant zijn voor het leven van mensen. En de universiteit staat vaak ver af van de kerk, maar in de kerk kan je je eerste bondgenoten en medestanders vinden. Zijn eigen kinderen gaan nauwelijks meer naar de kerk. “Maar ze zetten zich in voor het recht en de gerechtigheid waarover in het geloof wordt gesproken, mede door wat ze daarover gehoord hebben. En ze interesseren zich er wel voor. Komen er zelf mee: wat staat daarover in de bijbel? Hoe zit dat nou precies?”

Zijn Godsbeeld is met de tijd en met hemzelf veranderd. “De God van mijn kinderjaren en de God met wie ik begon theologie te studeren, was de grote-God-achter-alles, van wie ik afhankelijk was. Nu heb ik - maar dat is ook de tijd - veel meer van doen met een God die me mijn gang laat gaan. Die mijn basis kleurt, mijn uitgangspunt vormt en tegenover wie ik probeer te verantwoorden hoe ik leef.”

De God van Suriname was een witte God. “Maar dat was geen enkel probleem. Het is ook nooit een probleem geworden. Maar het was wel een eye-opener toen ik de film Green Pastures (Grazige Weiden) zag. Daarin was God zwart. Een geinige God. Geen strenge, zoals de witte, maar een olijke God, die danste tussen de wolken. En nu? Nu is God - net zoals ikzelf - allebei. Wit en zwart. Het is nu nog toekomstmuziek, maar dat ooit die tegenstelling opgeheven zal zijn en - zoals Paulus zegt - God zal zijn alles in allen, dat is nou iets waar ik heilig in geloof.”

mailIcon print |