ROTTERDAM - Het bestaan van buitenshuis werkende moeders is minder somber dan vaak wordt gesteld. Het beeld wordt vertekend doordat in de media meer aandacht is voor hoger opgeleide vrouwen die het combineren van baan en gezin als zwaar ervaren dan voor moeders in de lagere regionen van de arbeidsmarkt die zich juist verrijkt en voldaan voelen.
Steun van de partner blijkt een cruciale rol te spelen in het welbevinden van werkende moeders. Opvallend genoeg schort het daar nogal eens aan bij hoog opgeleide paren met beiden een goede baan. Dikwijls vallen deze paren terug in een trationele rolverdeling, waarbij de vrouw het leeuwendeel van de zorgtaken op zich neemt. Deze vrouwen hebben relatief vaak het gevoel het niet te redden en ook meer psychosomatische klachten. Ze hebben meestal wel huishoudelijke hulp, maar die compenseert onvoldoende het ontbreken van (praktische) steun van de man in huishouden en opvoeding.
Deze conclusies trekt de Rotterdamse socioloog Hanne Groenendijk (1953) in haar proefschrift 'Werken en zorgen: de moeite waard'', waarop ze vandaag promoveert aan de Erasmus Universiteit. Groenendijk hield uitvoerige vraaggesprekken met 74 werk en zorg combinerende moeders met tenminste een halve baan en één kind onder de twaalf jaar en een partner die ook werkt. Doel van het onderzoek was om zicht te krijgen op de uiteenlopende gevoelens die het combineren bij moeders oproept. Daarnaast heeft ze gezocht naar factoren die maken dat de ene werkende moeder zich beter voelt dan de andere.
Nieuwsgierigheid was een belangrijke drijfveer. “Er bestaan twee beelden van de buitenshuis werkende moeder. In de media domineert de overbelaste moeder. Uit nationale gezondheids- en tevredenheidsenquêtes blijkt daarentegen dat buitenshuis werkende moeders zich vergeleken met vrouwen zonder baan of zonder kinderen, redelijk goed voelen. Ik vroeg me af hoe die twee beelden met elkaar zijn te rijmen.”
Groenendijk ontkent dat ze bewust tegengas heeft willen geven tegen alle klagerige verhalen. “Van tevoren dacht ik wel: het kan toch niet zo zijn dat alle werkende moeders hun bestaan als zwaar beleven. Ik vond het belangrijk om een realistisch beeld boven tafel te krijgen.” Zelf beleeft ze veel vreugde aan de combinatie van werken en de zorg voor een 9-jarige dochter, die ze deelt met haar partner. “We werken allebei evenveel uren en om en om zorgen we voor onze dochter. Dat vonden we het meest eerlijk en het werkt in ons geval prima.”
Zorgende vaders heeft ze bewust buiten beschouwing gelaten. “Je kunt vaders en moeders niet op één hoop vegen. Bovendien is er al eens onderzoek gedaan naar zorgende vaders, waaruit blijkt dat hun vertrekpositie heel anders is. Mannen zeggen: leuk, ik krijg er met de zorg voor de kinderen een nieuw terrein bij. Moeders redeneren als volgt: fijn, ik krijg er met een betaalde baan een interessant terrein bij.”
In het onderzoek zijn vier groepen moeders te onderscheiden die Groenendijk het volgende 'etiket' heeft opgeplakt: de groep positief bestaan, pittig bestaan, zorgelijk bestaan en zwaar bestaan. De eerste twee categorieën benadrukken vooral de positieve aspecten van de combinatie. Voor hen is werken een manier om zich verder te ontwikkelen en te ontsnappen aan een saai bestaan als fulltime huisvrouw. “Nou, ik vind het zoals het nu gaat...heerlijk. Je hebt allemaal wel eens dat je van die kinderen denkt: pffff...En tegen de tijd dat ik dat weer heb, nou dan ga ik een dagje werken en dan ben je er helemaal uit. Dat je gewoon twee dagen even in een andere omgeving bent, even uit de dagelijkse besognes.” (kapster, twee kinderen).
Het opleidingsniveau in de groep 'positief bestaan' is lager dan dat van de andere groepen, waarin driekwart of meer een opleiding op hbo- of wo-niveau heeft. Lager opgeleide vrouwen in het onderzoek zijn positiever over de inzet van de man in het gezin. Ze voelen zich niet te kort gedaan, ook al doet hij veel minder huishoudelijke taken. Groenendijk: “Vrouwen met een 'positief en pittig bestaan' ervaren de taakverdeling niet als oneerlijk, ook al omdat hun baan vaak kleiner is dan die van de man. Wat opvalt is dat deze vrouwen ook goed kunnen relativeren en negatieve reacties uit de omgeving naast zich neerleggen.” Eén van de vrouwen zegt daarover: “Een paar weken geleden liep er een moeder op het schoolplein met een beeldige bak met tractaties. Ik zei heel spontaan: “Goh, wat heb je dat leuk gedaan.” “Ja”, zegt ze, “daar heb jij natuurlijk geen tijd voor met je werk.” Ja, dat soort dingen. Dan denk ik: “Laat ook maar.” (Verloskundige, drie kinderen).
Relativeringsvermogen, een forse dosis nuchterheid en het kunnen stellen van grenzen en prioriteiten zijn onmisbare strategieën voor werkende moeders, constateert Groenendijk. “Vrouwen die ik heb ingedeeld in de groep 'zwaar bestaan', blijken daar niet in uit te blinken. Ze kunnen geen nee zeggen, zijn slecht in delegeren. Ze proberen thuis wel taken over te dragen aan de partner, maar die laat het vaak afweten. Op den duur berusten ze erin dat ze er thuis alleen voor staan. Maar ze ervaren dat wel als oneerlijk, omdat hun baan vaak even zwaar is als die van de man en ze net zoveel verdienen. Ze berusten erin, maar aanvaarden het niet. Onderhuids overheerst het gevoel van verbolgen zijn en dat draagt uiteraard niet bij tot het welbevinden.” Deze vrouwen komen relatief vaak aan bod in de media, wat tevens een verklaring is voor het overwegend sombere beeld dat bestaat van werkende moeders.
Toch denken deze over het algemeen hoog opgeleide vrouwen er niet aan om hun baan op te zeggen. Groenendijk: “Werken is voor hen iets vanzelfsprekends, ook al omdat de meesten een behoorlijke studie achter de rug hebben. “Mijn moeder heeft ons altijd gezegd: “Je moet werken.” Het is zo ingepeperd, het kan niet anders. Mijn zusters werken allemaal. Het is een werkende familie. Werk moet. (...) Ik zou altijd werk zoeken, ik zou altijd geld zoeken.” (Arts, 1 kind).
Groenendijk: “Deze vrouwen willen op twee fronten perfect zijn. In dit opzicht zijn ze nog strenger voor zichzelf dan de groep 'pittig bestaan', die vindt dat kinderen geen last van het combineren mogen hebben. Zij willen maximaal moeder zijn, er helemaal zijn voor de kinderen en tegelijkertijd maximaal presteren op het werk. Vaak moeten ze met spijt constateren dat dat niet lukt. ,Je bent niet zo'n aardige partner meer en je bent niet altijd de moeder die je wilt zijn, je bent niet altijd de arts die je wilt zijn. Je knibbelt van al je rollen wat af.” (Arts, 2 kinderen).
Deze vrouwen zijn al het stadium voorbij van lijstjes maken van wat er allemaal moet gebeuren op een dag, een neiging waar vooral de vrouwen met een 'zorgelijk bestaan' mee behept zijn. “Met lijstjes in drie kleuren geven ze de prioriteiten aan.” Deze groep moeders maakt zich geregeld zorgen over het dagelijks geschipper dat nodig is om werken en zorgen op elkaar af te stemmen. Graag zouden ze willen leren om wat meer te relativeren, ook al omdat ze zich vaak schuldig, opgejaagd en moe voelen.
Zelf vindt Groenendijk één van de belangrijkste bevindingen van het onderzoek dat het duidelijk maakt dat het combineren van werken en zorgen niet per definitie een zwaar bestaan is. “Voor zwangere vrouwen met een goede baan kan dat toch heel bemoedigend nieuws zijn.” Handige strategieën en de steun van de partner zijn belangrijk. Verder moeten we zorg niet langer als een indivuele hobby zien, meent Groenendijk, maar als iets dat hoort bij het leven. “Arbeid is ontzettend belangrijk, maar het is niet het enige. De ministers Zalm en Wijers laten dat af en toe ook merken, dat vind ik heel positief. Niet nonchalant doen over een kinderverjaardag, over het gouden huwelijk van opa en oma of een vriendin die voor een belangrijk onderzoek naar het ziekenhuis moet.”
Toch is ze niet positief gestemd over een snelle kentering, “Ik vrees dat de kans op een 'zwaar bestaan' voor werkende moeders eerder groter dan kleiner wordt. Er komen steeds meer hoog opgeleide vrouwen die met hoog opgeleide mannen trouwen en allebei een veeleisende baan hebben. Daar komt bij dat het bedrijfsleven ook steeds vaker totale beschikbaarheid vergt. De werkdruk neemt nog steeds toe. Employability is een prachtig woord, maar ik voorzie een gulzige werkplek die steeds meer vergt van mensen. Dat kan te veel worden als er ook nog kinderen moeten worden opgevoed.”
“Waar ik minder somber over ben is over de betrokkenheid van ouders bij hun kinderen. Ouders denken bepaald niet slordig over hun kinderen. Maar dat gaat wel wrikken met de arbeidsorganisatie. Daarom is het zo belangrijk om duidelijke afspraken te maken thuis en op het werk, en om strategieën te ontwikkelen. Wat we van de vrouwen met een 'positief bestaan' kunnen leren is dat je zeker in tijden van grote drukte en stress grenzen moet stellen en nuchter moet blijven. Het kan een levensreddende gedachte zijn om jezelf af te vragen: wat gebeurt er nou helemaal als ik er vandaag niet ben op mijn werk?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.