*

 
dossier

Archief

Brugge bloeide ook in verval

ROBBERT ROOS − 18/08/98, 00:00

BRUGGE - De Renaissance is min of meer aan Brugge voorbijgegaan, zo was altijd de gedachte. De Renaissance staat synoniem voor bloeiperiode en het zestiende eeuwse Brugge was juist bezig in verval te raken door ruzies met vorsten en de verzanding van 't Zwin, de rivier die de levenslijn met de zee en daarmee de handel was. Antwerpen nam de fakkel als handelsstad over en Brugge kreeg de tweede viool toebedeeld. Dat het niet louter droefenis was in die jaren, sterker nog, dat de stad cultureel nog steeds op een hoog plan stond, moet de tentoonstelling 'Van Memling tot Pourbus' bewijzen. Ze bestrijkt de artistieke productie in de periode waarin het laat-middeleeuwse Vlaamse Primitivisme overgaat in de renaissance.

De renaissance-tijd van Brugge blijkt een tot nu toe weinig bestudeerde periode, gezien de tentoonstellingen, activiteiten, boeken en onderzoeken die de manifestatie 'Van Memling tot Pourbus' omlijsten. Verschillende van die studies ademen de geest van 'de eerste keer'. Ook de expositie liet de samenstellers voor het eerst goudzoeken in die wat genegeerde tijd. Anders dan de titel doet vermoeden, biedt de tentoonstelling niet een min of meer chronologisch overzicht van de schilderkunstige ontwikkeling van Hans Memling (voor 1440-1494) naar Pieter Pourbus (1523/24-1584) te zien, maar schotelen de samenstellers ons een per thema geordend essayistisch beeldverslag voor. Daarin staat zowel de rijkheid van de kunstproductie als de hoge graad van culturele en theoretische ontwikkeling die de stad nog steeds kende, centraal. Denkers, edelen en kunstenaars bleven komen, ondanks dat het economisch minder ging.

Eerder al werden in 1994 en 1984 aan respectievelijk Memling en Pourbus in Brugge grote monografische tentoonstellingen gewijd. Nu komen ook schilders als Gerard David, Jan Provoost, de Meester van het Heilige Bloed, Adriaan Isenbrant, vader en zoon Benson, Simon Bening, Lancelot Blondeel, vader en zoon Claeissens en Marcus Gheeraerts aan bod, terwijl Memling en Pourbus opnieuw met behoorlijk wat werk vertegenwoordigd zijn.

Het zestiende-eeuwse Brugge maakte kunsthistorisch gezien wel deel uit van de renaissance, maar de stijl is in het straatbeeld maar mondjesmaat te vinden. Slechts een handvol gebouwen is volledig renaissancistisch, de rest bestaat uit mengsels van gotiek en renaissance. In de kunst is de invloed van 'de laatste Vlaamse Primitieven' Memling en David - en daarmee hun laat-middeleeuwse zienswijze - nog lang voelbaar. Tot aan Pourbus toe, over wie Karel van Mander in zijn Schildersboek schrijft dat deze het St. Ursula-schrijn van Memling 'altijd graag ging bekijken als het op hoogtijdagen werd getoond en het nooit genoeg kon bewonderen en prijzen.'

De altaarstukken en portretten van Memling kenmerken zich door een hoge mate van sereniteit, die hij bereikt door een heldere, precieze toets, gecombineerd met een subtiel lichtspel en fraaie ruimtelijkheid. Samen met David past Memling naadloos in de traditie van Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en Hugo van der Goes.

Bij de volgende generatie - Provoost (ca. 1465-1529) en Isenbrant (ca. 1490-1551) - wordt wel geëxperimenteerd met nieuwe iconografische verbeeldingen, kleurgebruik en kleine compositorische aanpassingen, maar een radicale stijlverandering komt er niet. De schema's en onderwerpen blijven in de trant van Memling en David. Met de immigratie van een kunstenaar als Ambrosius Benson komen meer Italiaanse voorbeelden naar Brugge en die vinden geleidelijk aan ook hun weg in de schilderkunst van die tijd. Het is tevens in deze periode dat Dürer op uitnodiging van Jan Provoost de stad bezoekt en zijn artistieke invloed achterlaat.

Het in die jaren meest renaissancistische werk in Brugge kwam door een speling van het lot in de stad. De in Italië levende koopman Jan de Moscron kon een sculptuur van Michelangelo kopen, omdat het Piccolomini-altaar in de dom van Siena (waarvoor het bestemd was) in een kleinere versie werd uitgevoerd. Sinds 1514 staat deze prachtige 'Madonna met kind' (1505) in de zijkapel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk als sprankelend voorbeeld van hoog-renaissance.

Met Lancelot Blondeel (1498-1561) komt er een wezenlijk nieuw element in de Brugse schilderkunst. Composities worden dynamischer en voller, er verschijnen nadrukkelijk decoratieve omlijstingen rond de voorstellingen en beeldelementen uit de antieken (vooral ruïnes) krijgen een voorname plaats.

Het is interessant om te zien dat Pieter Pourbus, die huwde met de dochter van Blondeel, in de generatie daarna voor zijn composities en intonaties niet teruggrijpt op het werk van zijn schoonvader, maar op de schilderkunst van Memling. Wel hebben de figuren van Pourbus een veel 'wereldlijker' uitstraling dan de Madonna's en heiligen van Memling. Hoezeer Pourbus de stijl van Vlaamse Primitieven beheerste, blijkt uit de zijpanelen die hij bij een middenpaneel van een drieluik van David schilderde. In die jaren gebeurde het wel vaker dat een kunstenaar de zijpanelen blank liet. De koper kon dan zichzelf of zijn familie er later op laten schilderen.

Wat Blondeel en Pourbus tot typische renaissance-kunstenaars maakt is hun veelzijdigheid. Beiden maakten ook ontwerpen voor tapijten en schilderden topografische voorstellingen. Vooral een bovenaanzicht van Pourbus van de Duinenabdij te Koksijde is zeer fraai en voor die tijd verrassend nauwkeurig. Het laat zien dat er ook interesse was voor technologische ontwikkelingen en een wiskundige manier van werken. Zo verzon Blondeel na de verzanding van 't Zwin bijvoorbeeld een geheel nieuwe ontsluiting met de zee, die in de negentiende eeuw uiteindelijk tot stand kwam.

Zoals gezegd wilden de samenstellers van de tentoonstelling niet alleen de artistieke productie laten zien, maar streefden ze er ook naar de gehele economische en culturele situatie in het zestiende eeuwse Brugge in beeld te brengen. Zo bestond er een levendige vrije markt, wat blijkt uit de vele altaarstukken met opdrachtgevers op de zijluiken en de meerdere versies die van bepaalde voorstellingen bestaan. Isenbrant schilderde met zijn werkplaats meerdere varianten van zowel 'De geboorte van Christus' als 'De Rust tijdens de vlucht naar Egypte' (Madonna met kind in een landschap) en David maakte meerdere versies van zijn 'Madonna met de paplepel'. De tentoonstelling is een uitgelezen mogelijkheid om de diverse varianten met elkaar te vergelijken. De 'Madonna met paplepel' van de Aurora Trust in New York is bijvoorbeeld veel verfijnder dan dezelfde compositie in het Palazzo Bianco in Genua. Het tweede werk wordt dan ook onder meer aan het atelier toeschreven.

'Van Memling tot Pourbus' is meteen de heropening van het Memlingmuseum, dat gevestigd is in het oude St. Janshospitaal. De afgelopen jaren is de oude middeleeuwse ziekenzaal grondig gerestaureerd, zodat de tentoonstelling er nu prachtig te pronken staat. De ruimte is echter ook zo groot, dat je heel secuur moet inrichten om de bezoeker niet te laten dwalen en dat laatste is niet helemaal gelukt. Op verschillende momenten in de expositie is het gissen naar de reden waarom welk werk waar hangt. Er zit een zeer grove chronologie in de tentoonstelling, zodat het draait om thema's en die worden maar heel summier aangeduid. Die aanpak ondersteunt het essayistische karakter van de expositie, maar het gaat ten koste van de logica.

mailIcon print |