'Annalen van de operagezelschappen in Nederland, 1886 - 1995. Onder redactie van Piet Hein Honig. Uitgave: Theater Instituut Nederland. Amsterdam. ¿ 150,- bij Theaterinstituut en in boekhandel; ¿ 125,- in het Muziektheater A'dam. Meer dan een eeuw operette in Nederland. Fred Bredschneyder. Uitgave: Strengholt. ¿ 34,90. De Hoofdstad Operette geeft een jubileumconcert op zondag 21 januari om 14.15 uur in het Amsterdams Concertgebouw met operette-hoogtepunten.
Die nostalgie leidde er vorig jaar toe dat geprobeerd werd met een Italiaanse Opera Amsterdam, afgekort IOpA, aansluiting te zoeken bij de veronderstelde liefde van het 'volk' voor ouderwetse Italiaanse opera. De dubbelproduktie 'Cavalleria rusticana/Pagliacci' in de Westergasfabriek maakte echter vooral geschiedenis doordat de onderneming financieel op een gigantische flop uitdraaide. Het 'volk' liep minder hard dan verwacht.
Is die liefde dan toch opgedroogd tot zielloze nostalgie? Theater Carré constateert evenwel juist een grote belangstelling voor dat zogenaamde 'ijzeren repertoire' van Italiaanse snit. De verkoop voor de zes voorstellingen (zo'n tienduizend plaatsen in totaal) tussen 16 en 21 januari loopt goed.
Toch keren de dagen van weleer niet terug: de 'Italiaansche Opera' werd in Amsterdam en in Den Haag voorbereid, en de Italiaanse bezetting bleef maanden lang bij elkaar. De produkties van nu worden kant-en-klaar geleverd (door een Zwitsers impresariaat) en de zangers behoren tot een onbekende internationale massa die overal in Europa voorstellingen geeft. Misschien zit er weer een Sara Scuderi bij, of een Luigi Fort, maar de kans daarop is anno 1996 veel kleiner dan anno 1936.
Met het noemen van deze namen van fameus geworden zangers, zal hier en daar nog een herinnering natrillen. Maar veel is weggezakt in het schimmenrijk van de voltooid verleden tijd. Zelfs de opera-geschiedenis van ná 1945 overspant al weer een halve eeuw. De artiesten die in dat tijdperk optraden, hebben het geluk gehad dat hun stemmen konden worden vastgelegd, complete produkties soms. Daarom luisteren we nog met bewondering naar Kathleen Ferrier in haar vertolking van de 'Orfeo' in Glucks gelijknamige opera, een live-opname uit 1951 vanuit de Amsterdamse Stadsschouwburg.
En hoe verrassend van kwaliteit in de vocale dramatiek en in het orkestspel is niet de opname uit 1969 van 'Tosca' met Gré Brouwenstijn in de titelrol? En we hebben uit de jaren zeventig de prachtige 'Rosenkavalier' bij de Nederlandse Operastichting, een van de glansmomenten uit de opera-carrière van dirigent Edo de Waart. Het zijn slechts momenten uit een stroom van duizenden produkties met tienduizenden voorstellingen die seizoen na seizoen in allerlei zalen, over het hele land verspreid, werden gegeven van opera's, maar ook van operettes.
Vrijwel tegelijkertijd wordt aan de enorme belangstelling voor allerlei vormen van muziektheater ook tegemoet gekomen met twee publikaties die verslag doen van méér dan een eeuw opera en operette in Nederland.
In 'Annalen van de operagezelschappen in Nederland, 1886 - 1995' zijn op 1300 pagina's dundruk alle premières en hernemingen vastgelegd die vanaf september 1886 tot en met het einde van het seizoen 1994/95 werden gegeven door professionele gezelschappen. Meer dan vijfduizend produkties! Louter lijsten met opera-titels, première-data, namen van dirigenten, regisseurs, zangers en orkesten bevat dit boekwerk dat in zijn bordeaux-kleurige, fluweel-achtige omslag en door zijn dikte een bijbelse allure uitstraalt.
Het moet een immens pluiswerk zijn geweest om al die gegevens aan de vergetelheid te ontrukken uit recensies, artikelen, jaaroverzichten en programmaboekjes, opgeduikeld in talloze archieven. Als belangrijkste medewerkers aan dit project, waaraan ongeveer tien jaar werd gewerkt, vermeldt de inleiding Peter Hulpusch en Piet Hein Honig. Een korte geschiedschrijving vooraf om de doorsnee opera-liefhebber enig houvast in deze zee van gegevens te bieden, achtte de uitgever, het Theater Instituut Nederland, overbodig. Het zijn de twaalf katernen met foto's die het leven er in brengen en duidelijk maken dat er gezichten, personages, hartstochten, decors achter al die namen schuil gingen.
Heel wat aantrekkelijker laat 'Meer dan een eeuw operette in Nederland' zich lezen. Auteur Fred Bredschneyder is dè kenner van het lichte muziektheater, zoals hij eerder liet blijken in bijdragen aan radio en tv, en in tal van publikaties, zoals het allesomvattende naslagwerk 'Nieuw operette en musical boek'. Het lag voor de hand dat hij nu, bij gelegenheid van het vijftig-jarig bestaan van de Hoofdstad Operette de geschiedschrijving zou verzorgen.
In de ruim 120 pagina tekst, aangevuld met drie katernen zwart/wit- en kleurenfoto's, blikt hij echter ook terug op de periode daarvóór. Het vormt deel 1 van zijn verslag. Al in 1862 drong het toen nog jonge genre van de operette door tot Nederland; het was Offenbachs eigen operette-groep uit Parijs die gatsvoorstellingen verzorgde. Het luchtige muziektheater, ook van Duitse en van Weense snit, sloeg direct aan bij het publiek. “Men moet in een bijzonder zwaarmoedige of verheven stemming verkeren om niet tot vrolijkheid opgewekt te worden door zulk een aaneenschakeling van geestige zetten en koddige tonelen, verhoogd door de muziek van Offenbach”, zo oordeelde een Amsterdams dagblad.
Theaterdirecteuren ontdekten een gat in de markt en kwamen met eigen produkties; in 1892 werd er zelfs een operettegezelschap opgericht, en het duurde niet lang of er werden ook stukken geschreven en muziek gecomponeerd. Titels als 'De mooie Cubaanse', 'Trotse Thea' en 'Domme Doortje' doen ons nu glimlachen, maar Theater Carré liep er aan het begin van de eeuw voor vol. Ook grootheden uit het Nederlandse theater hielden zich bezig met operette, zoals Louis Bouwmeester jr, Johan Boskamp en Nap de la Mar; de laatste liet operettes opvoeren gecomponeerd door Margie Morris (zoals 'De zwerver'), en befaamd om haar liedjes voor Louis Davids en Herman Bouber.
Operette was niet alleen vertier voor het volk. Bij het tienjarig bestaan van de Fritz Hirsch Operette in 1936 omschreef niemand minder dan de burgemeester van Den Haag, mr De Monchy, het genre als 'beschaafd vermaak, luchtige kunst, een steeds stromende bron van ontspanning en vrolijkheid in tien zorgelijke jaren'.
Bredschneyder stelt vast dat er tot 1940 tussen de veertig en vijftig operette-gezelschappen werden opgezet; de meeste haalden slechts één seizoen; tot echte bloei kwamen De Haghezangers, De Operettezangers en de genoemde Fritz Hirsch Operette. Die groepering steeg het hoogst in aanzien, ook internationaal want zowel Richard Tauber als Robert Stolz verbonden hun naam aan dit in eerste aanleg Duits-Oostenrijkse gezelschap opgericht in 1926 door de Duitse zanger-acteur Hirsch; tot 1940 gaf hij leiding aan bijna zeventig operette-produkties.
De Duitse bezetting scheidde joden en niet-joden; ook de operette werd zo gespleten, maar aan de luchtigheid van het genre deed dat aan beide zijden van de grens tussen 'zijn en niet zijn' niets af. De allerlaatste voorstelling in de De Hollandsche Schouwburg, medio 1942 betrof een operette: 'Die Csárdásfürstin'; vanaf dat moment werd die schouwburg de verzamelplaats op weg naar de vernietiging; Hirsch kwam al in 1942 in Mauthausen om.
Zowel in Amsterdam als in Den Haag werd de draad na de bevrijding door verscheidene gezelschappen weer opgenomen, maar alleen de Hoofdstad Operette slaagde er in te wortelen. In deze groepering verzamelden zich de vroegere medewerkers van Hirsch, van wie sommigen de concentratiekampen hadden overleefd. De groep werd aangevoerd door een driemanschap met Meyer Hamel als speerpunt. Hamel, aanvankelijk diamantslijper, had voor 1940 naam gemaakt als liedjesschrijver en exploitant van revues. Zo kwam hij in de wereld van Hirsch terecht.
In hoofdstukjes per vijf jaar doet Bredschneyder helder verslag van het taaie gevecht om erkenning bij de overheid (pas vanaf 1975 kwam er structureel subsidie) en van de ambitie om een rijk ogende, Weens getinte operette-traditie op te bouwen. In de eerste vijf bestaansjaren werden alle stukken, gekozen uit het Duitstalige repertoire, in het Nederlands opgevoerd, maar na 1950 kon Duits weer, 'niet dat harde Pruisisch, maar Weens', zei Meyer Hamel.
Na zijn dood, in 1965 zette zijn vrouw Netty het beleid voort; artistieke verstarring in de jaarlijks ene produktie die gemaakt werd (rijk ogend wat betreft kostuums en decors, met toenemend veel grappen en grollen als 'Einlagen') verhinderde niet dat per seizoen zo'n 80.000 bezoekers in ruim 70 theaters kwamen genieten. Op voorzichtige wijze geeft Bredschneyder aan dat er in de laatste vijf jaar een moderner, minder aan één regisseur en stijl opgehangen artistiek beleid is doorgebroken. Dat ging wel ten koste van een Hamel. Immers Philip Hamel die zijn moeder in 1985 was opgevolgd als directeur, moest in 1992 het veld ruimen.
Zo eenduidig als in de operette, liepen en lopen de zaken niet bij de opera. Maar de liefhebber die daar meer van wil weten, moet met de 'Annalen' op schoot, zichzelf een verhaal scheppen. De feitenlijst begint in 1886. De samenstellers kozen voor dat jaar omdat toen in Amsterdam het eerste gezelschap werd gevestigd dat 'Hollandsch Opera Gezelschap' heette en korte tijd later omgedoopt werd tot 'Nederlandsche Opera'; opvallend kenmerk was dat alle opera's in het Nederlands gezongen werden.
Dat was een soort revolutie, want tot dan gingen opera's in het Frans bij de Koninklijke Franse Opera in Den Haag, of in het Duits bij de Hoogduitse Opera in Rotterdam. Dat waren de belangrijkste gezelschappen vóór 1886; de 'Annalen' beginnen dus pardoes midden in de operageschiedenis van Nederland. Dat verhaal van de soms roerige Nederlandse operageschiedenis kan men nalezen in het zeer goed gedocumenteerde verslag dat S.A.M. Bottenheim in 1946 al publiceerde (her-uitgave in 1984 met een toevoeging voor 1940 - 1980). Maar dat boek is niet meer in de handel.
De publikatie van de 'Annalen' bedient dus niet zozeer de gemiddelde opera/muziektheater-liefhebber, maar meer de kenner voor wie Bottenheim te veel onduidelijkheden bevat, of de student muziekwetenschap die een onderwerp voor zijn afstudeerscriptie zoekt. De 'Annalen' biedt daarvoor bronnenmateriaal te over en vult tal van lacunes in.
Een voorbeeld: wanneer over enkele seizoenen De Nederlandse Opera de lang verbeide 'Ring' van Wagner uitbrengt, is dat niet de eerste 'Ring' door een Nederlands gezelschap. Wat de Wagnervereeniging niet voor elkaar kreeg, lukte namelijk de Nationale Opera wèl. In 1921, tussen 1 en 12 mei ging in Den Haag in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen dit veeleisende werk. Peter Raabe (voor 'Das Rheingold' en 'Götterdümmerung'), Egon Pollak ('Die Walküre') en Albert van Raalte ('Siegfried'), dirigeerden het Residentie Orkest. Het was toen de vijfde keer dat Nederland kennis maakte met een complete 'Ring'. Gastgezelschappen vertoonden Wagners cyclus, al of niet begeleid met Nederlandse orkesten, al in januari 1883 in Amsterdam, in mei 1907 in Rotterdam, in mei 1913 nogmaals in Rotterdam, en in maart-april 1916 in Den Haag. Die in 1883 was van het befaamde, reizende Richard-Wagner Theater. Alleen die 'Ring' vindt men terug in 'De opera in Nederland' van S.A.M. Bottenheim.
En de legendarische 'Italiaansche Opera'? Die duikt voor het eerst op in 1897. Meteen al met 23 produkties, gespeeld tussen september 1897 en maart 1898. Een van die opera's was 'Rigoletto'. Een ander 'Pagliacci'. Per seizoen zouden vele nummers tot het geliefde, steeds weer herhaalde repertoire gaan behoren, gezongen door bejubelde sterren als Scuderi en Fort. De 'Italiaansche Opera' introduceerde ook heet van de naald de nieuwe Puccini's. Tot aan 'Turandot' toe, in 1928 zelfs al, kort na de wereldpremière. Dezelfde 'Turandot' die tussen 24 en 30 januari zes mega-voorstellingen krijgt in Ahoy' Rotterdam. Er is in een eeuw niet zoveel veranderd in de smaak van het 'volk'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.