*

 
dossier

Archief

Een Nederlands diplomaat en Europa's ongeduld

RACHEL LEVY − 03/10/97, 00:00

In NRC Handelsblad van 24 september pleit ir. R. E. Bosch, Nederlandse ambassaderaad in Wenen, voor Europese interventie in het Midden-Oosterse vredesproces en een hardere aanpak van Israël. Dit noemt hij Europa's 'morele plicht', aangezien Israël doet aan 'etnische zuiveringen', 'mensenrechten niet serieus neemt', 'verdragen naast zich neerlegt' en verwordt tot 'extremistische religieuze staat'. Nu is er veel gegronde kritiek op Israël mogelijk, maar Bosch' aantijgingen zijn veelal ongegrond.

Door CDA en VVD om opheldering gevraagd, antwoordde minister Van Mierlo van buitenlandse zaken, dat het stuk 'op persoonlijke titel en zonder toestemming of overleg met Buitenlandse Zaken' was gepubliceerd, en distantieerde zich ervan. Een terechte stellingname tegenover een Nederlandse diplomaat die zich - ongevraagd - opwerpt als ambassadeur van de Islamitische wereld, in een opruiend betoog.

Fundamenteel mis in Bosch' argumentatie is dat hij het joodse volk en de politieke entiteit Israël met elkaar verwart. Bosch stelt alle joden - ook al zijn ze geen Israëlische staatsburgers - verantwoordelijk voor Israëls beleid: 'Juist van een volk dat een historie van lijden en vervolging heeft, zou wat meer begrip verwacht mogen worden voor anderen die nu onder hen lijden', meent Bosch, die er blijkbaar veruit gaat dat lijden mensen heiligt. Vervolgens beweert hij dat 'vele Palestijnen' zich afvragen 'waarom joodse oorlogsslachtoffers steeds opnieuw financieel moeten worden gecompenseerd terwijl de Palestijnen tot dusverre nooit voor hun bezitsverlies in de jaren veertig zijn gecompenseerd.'

Zo verbindt hij het compensatierecht van slachtoffers van de jodenmoord - van wie zeker de helft geen Israëlisch staatsburger is - met dat van de Palestijnse slachtoffers van de territoriale strijd in Brits-Palestina. Sterker nog: hij wil de compensatie van slachtoffers van de Europese jodenmoord afhankelijk maken van Israëls bereidheid Palestijnen financieel te compenseren.

Men kan slechts concluderen dat Bosch de jodenmoord en de territoriale oorlog om het voormalige Brits-Palestina als onlosmakelijke, maar vooral gelijksoortige zaken beschouwt. Hoe rechtvaardigt Bosch deze gelijkstelling? Bagatelliseert hij de jodenmoord, of beschuldigt hij Israël ervan een nazistisch vernietigingsplan op de Palestijnen te hebben toegepast? Hijzelf beantwoordt deze vraag: 'Als moslims vervolgd worden, (..) moeten de daders ter verantwoording worden geroepen.' De territoriale strijd beschouwt hij als vervolging van een religieuze groep.

Dat is perfide. Bosch' scheve vergelijkingen en ongegronde opmerkingen wijzen op anti-joodse gevoelens. Gezien Bosch' hoge functie moet dit voor het ministerie van buitenlandse zaken een ernstig probleem vormen. De onderkenning daarvan wordt echter bemoeilijkt, doordat Bosch' houding tegenover het Midden-Oosten in belangrijke mate gedeeld wordt door Nederlandse beleidsmakers. Deze houding karakteriseer ik als 'Europa's ongeduld'.

Moreel criterium

Europa is uiterst ongeduldig wat betreft de beëindiging van het Arabisch-Israëlische conflict. Opmerkelijk genoeg staat hierbij niet een internationaal-politiek, maar een moreel criterium voorop. Nu zijn morele argumenten, zoals verontwaardiging over mensenrechtenschendingen, natuurlijk legitiem. Voorwaarde is echter wel dat men, om Bosch' woorden te gebruiken, 'niet met twee maten meet'. Slechts de ernst van de schending van de mensenrechten moet de maat zijn.

Dan dringt de vraag zich op, waarom Bosch niet pleit voor interventie in Algerije, met ruim 60 000 doden in vijf jaar, in Turkije en Irak, vanwege de strijd tegen de Koerden, in Iran, Irak, Syrië en Saoedi-Arabie, waar meningsuiting letterlijk met de dood kan worden bestraft. Diezelfde vraag kan gesteld worden aan de Europese Midden-Oostenbeleidsmakers, die net als Bosch geen politieke maar morele beweegredenen voorop stellen.

Europa typeert zijn ongeduld graag als 'betrokkenheid' en 'vredeswil', en meent daarbij dat Israël geen goed inzicht heeft in de delicate situatie van het Midden-Oosten (zijn eigen leefomgeving!). Het is zelfs twijfelachtig of Israël vrede of mischien juist oorlog nastreeft, want, aldus Bosch: 'De Israëlische regering is (...) medeschuldig aan de explosieve situatie.' Daarom moet Europa Israël 'met de consequenties van zijn beleid confronteren.'

Bosch acht interventie in het Arabisch-Israëlisch conflict 'Europa's morele plicht' en 'in het algemeen belang', omdat 'het gebied te belangrijk is om er zich van afzijdig te houden'. Te belangrijk? Volgens welke maatstaf?

Anders dan Bosch en de meeste Midden-Oostenbeleidsmakers menen, zijn met het Arabisch-Israëlische conflict in beginsel geen intrinsiek internationaal-politiek belangen gemoeid. Het conflict zorgde in één eeuw voor zo'n 100 000 doden; absoluut gezien veel, maar relatief 'weinig'. Recentelijk eist het - alles samengenomen: Libanese, Palestijnse, Israëlische slachtoffers - jaarlijks een paar honderd doden. Daarmee is het feitelijk een van de kleinere conflicten in het Midden-Oosten. Verder geldt, dat een nieuwe oorlog tussen Israël en de Arabische landen niet in Europa zal worden gestreden.

Kortom: het Europese ongeduld staat los van de morele noodzaak van vrede (die is elders in de regio dringender) en van rechtstreekse fysieke betrokkenheid (die is er niet). Het reusachtige belang dat Europa het Midden-Oosten toekent, is gebaseerd op hele andere gronden. Die zijn vooral van cultureel-religieuze aard (heilig gebied) en dus subjectief.

Het verloop van het Arabisch-Israëlische conflict bewijst hoe kwalijk dit is geweest: het is de vlag waaronder het Midden-Oosten verwerd tot confrontatiegebied voor koloniale en later voor wereldmachten. Hierdoor werd er een reusachtig wapenarsenaal opgebouwd, dat in geen verhouding staat tot de feitelijk beperkte omvang van de interne territoriale strijd, waaraan ik al refereerde.

De huidige situatie in het Midden-Oosten geeft aan van hoe fundamenteel belang het is om internationale interventies nimmer te baseren op subjectieve, historische, cultureel-religieuze gronden, maar alleen op objectieve, meetbare zaken, zoals bijvoorbeeld het aantal dodelijke slachtoffers.

De val van de Sovjet-Unie maakte grotendeels een einde aan de functie van confrontatiegebied die de regio vervulde, en opende de weg naar vredesonderhandelingen. Het reusachtige wapenarsenaal bleef echter. De nieuwste politieke entititeit in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit, beschikt drie jaar na oprichting reeds over de grootste politiemacht (lees: militaire macht) per hoofd van de bevolking ter wereld, op Irak na. Deze situatie, waarin iedereen zwaarbewapend is, is de objectieve werkelijkheid, die alle landen in het Midden-Oosten - inclusief Israël - moeten incalculeren bij iedere territoriale, strategische of militaire concessie of regionale verschuiving.

Die werkelijkheid is blijkbaar niet de grootste zorg van Bosch. Hij uit liever zijn eenzijdige morele verontwaardiging over 'het volk dat een historie van lijden en vervolging heeft', dat niet mag eisen dat de Palestijnen zich aan de Oslo-akkoorden houden door het terrorisme te bestrijden.

mailIcon print |