Londen is niet het enige probleem van Europa, zei premier Kok gisteren; ook andere hoofdsteden worstelen nog met de voorstellen voor wat het Verdrag van Amsterdam moet worden. Nederland staat daarom als voorzitter van de EU voor een zwaar half jaar, zo mogelijk zwaarder nog dan bij de vorige toerbeurt zes jaar geleden, toen het verdrag van Maastricht werd beklonken. Niets in Europa wordt nog voor lief genomen. Over iedere komma in het verdrag bestaat in een of meer lidstaten twijfel.
Op zich is dat goed; voor lief nemen is dodelijk. De Europese Unie moet laten zien wat zij waard is. Dat kan. Als het er maar niet toe leidt dat landen zich vastbijten in het idee dat we met de Europese integratie inmiddels ver genoeg zijn gegaan. Weliswaar is het handelsverkeer vrijgemaakt. Binnenkort hebben we één munt. Maar in tegenstelling tot wat sommige liberale vrijmarktlieden suggereren, is Europa daarmee niet af.
De economische en monetaire eenwording zal de noodzaak aan het licht brengen ook op andere terreinen één te worden, naar elkaar te groeien in sociale politiek, milieubeleid en justitie. Uit welbegrepen eigenbelang. En uit solidariteit met mede-Europeanen.
In afwachting van de muntunie en van de toetreding van Midden- en Oost-Europese landen zit de politieke wil van de EU-leden om aan die eenwording te werken op dit moment in een dal. Daarin zal Nederland als EU-voorzitter in zes maanden geen verandering kunnen brengen.
Dat is ook geen ramp. Tenminste zolang het Europa dat we veertig jaar voor lief hebben genomen, te Amsterdam niet zakt tot beneden Normaal Londens Peil.
En - minstens zo belangrijk - zolang we maar kans zien het perspectief op een sociaal Europa overeind te houden. Want het is een arm Europa dat het zonder solidariteit denkt te kunnen stellen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.