De auteur is gereformeerd predikant en voorzitter van het Ojec.
Wie gedacht had dat met de milde veroordeling bij verstek - zo opnieuw Trouw - de discussie gesloten was, kwam bedrogen uit. In zijn column van zaterdag jl. komt hoofdredacteur Jan Greven op de zaak terug. Zijn commentaar kan niet onweersproken blijven. Gezien de letterlijke aanhalingen uit het verslag van de bijeenkomst, vermoed ik dat Greven zich slechts baseerde op de weergave in de krant, niet op alles wat tijdens de bijeenkomst in de Rode Hoed werd gezegd. Maar de dialoog begint, zo zegt Greven terecht, met luisteren. Laat ik uit de opeenhoping van misverstanden in het commentaar een paar punten lichten.
Iedereen die in de Rode Hoed aanwezig was, heeft kunnen horen dat de bezwaren uit joodse kring tegen de werkwijze van Ter Linden zich met name richten op de pretentie waarmee het boek zich presenteert. Dat begint meteen bij de ondertitel van het boek: De Thora. Ik zou het volstrekt begrijpelijk vinden wanneer in kerkelijke kring minstens de wenkbrauwen zouden worden gefronst wanneer iemand een boek uitgeeft met een selectie van verhalen over Jezus en dat boek dan noemt: Het Evangelie.
Greven mist het punt waar het om gaat, wanneer hij zegt dat Ter Linden de joodse bronnen gebruikt om zijn eigen christelijke traditie beter te verstaan. Was het maar waar. Het omgekeerde is het geval. 'Het verhaal gaat...' voert de pretentie de bron 'her te vertellen': de joodse Thora. Was het maar waar dat Ter Linden met de evangeliën begonnen was en de Thora had gebruikt om zijn eigen traditie beter te verstaan. Het omgekeerde is het geval. Maar Jezus als de Christus van de kerk loopt niet eenvoudig weg uit 'de joodse Thora', zoals Ter Linden in vrijwel elk hoofdstuk van zijn boek pretendeert. Greven heeft volkomen gelijk wanneer hij zegt dat dat nu juist het probleem is tussen Joden en christenen. Laten christenen iets dergelijks dan ook niet degenen voor ogen spiegelen die van de bronnen zijn vervreemd. Helaas blijft in het commentaar van zaterdag deze omkering in de gedachtegang onopgemerkt.
Nog een tweede punt moet worden genoemd. Ik lees in het boek van Ter Linden dat het in de verhalen van de joodse Thora (welke anders, trouwens?) niet gaat om Israël als natie maar om Israël als notie. Het is inderdaad een grote stap terug in de ontmoeting tussen joden en christenen wanneer de joodse traditie op deze manier aan Israël wordt ontvreemd. Zo'n opvatting kan alleen worden gehuldigd wanneer joden als werkelijk bestaande mensen met hoofd, hart en handen uit het theologisch zichtveld zijn verdwenen. Heel de geschiedenis van een volk is dan niets meer dan één grote metafoor. Het specifiek joodse karakter van de geschriften verdwijnt; de joodse traditie is een bron van passende, mooie verhalen. Maar Thora als grondslag van halacha (joodse wet) ontbreekt tot slot geheel. En op basis van de algemene geldigheid van de geschiedenis als metafoor worden zaken inwisselbaar en komt Jezus de Thora binnen. Wordt Jezus straks ook 'slechts' een notie? Ik vermoed dat Joden, zo lang ze kunnen, zullen protesteren tegen deze 'verluchtiging' van hun traditie.
Helaas was, in tegenstelling tot wat Jan Greven denkt, de bijeenkomst van 5 februari wel exemplarisch voor de zogenoemde joods-christelijke dialoog. De christelijke gesprekspartner weigerde te antwoorden op vragen van joodse kant. Dat is zijn goed recht, ik blijf het herhalen. Maar wanneer Jan Greven dan de rabbijn hoogmoedig noemt, is dat opnieuw een omkering van zaken. Iemand die een bestseller schrijft, heeft niet alleen publicitaire rechten. Hij is zijn publiek ook de dialoog verschuldigd, zeker wanneer daarom door joodse lezers wordt gevraagd. Dat gesprek kan niet bedoeld zijn om verantwoording af te leggen, maar om, al luisterend, de dialoog aan te gaan. Collega Nico ter Linden blijft wat mij betreft daarbij van harte welkom.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.