DEN HAAG - Heel zijn leven werd hij achtervolgd door aanduidingen als 'junior' en 'de zoon van de oude Drees.' Als hij zelf op campagne was en toehoorders over zijn vader begonnen, was hij niet blij. Liever wilde hij over zijn eigen ideeën van gedachten wisselen.
Toch was hij eerlijk genoeg om toe te geven dat hij er in zijn loopbaan ook wel eens gemak van heeft gehad. Op 24 december zou hij 76 jaar zijn geworden. Afgelopen zaterdag overleed hij: Willem Drees, de vroegere voorman van de in 1983 opgeheven politieke partij DS'70.
Zijn eigen carrière mocht er trouwens ook zijn. Willem Drees studeerde economie in Rotterdam. Daarna had hij functies bij het Centraal Planbureau en het Internationaal Monetair Fonds. Terug in Nederland bracht hij het tot thesaurier-generaal op het ministerie van financiën, de topambtenaar die waakt over de schatkist. Na zijn politieke loopbaan was hij nog lid van de Algemene Rekenkamer en zat hij een commissie voor die in 1987 aan de regering een gezaghebbend rapport uitbracht over de toekomst van de AOW, de oudedagsvoorziening waaraan voor eeuwig de naam van zijn vader is verbonden (hoewel het PvdA-minister Suurhof was die die wet door de Kamer loodste).
Tot 1970 was hij lid van de PvdA, de partij van zijn vader. Hij bedankte voor het lidmaatschap, kort nadat DS'70 zich had afgesplitst uit onvrede over de invloed van de radicale vernieuwingsbeweging Nieuw Links op de PvdA. Vooral de anti-Navo-houding van Nieuw Links was DS'70-aanhangers een doorn in het oog. Drees werd lijsttrekker van de nieuwe partij, die bij de verkiezingen van 1971 met acht zetels in de Tweede Kamer kwam.
Met de christelijke partijen KVP, ARP en CHU en de VVD vormde DS'70 het kabinet-Biesheuvel waarin Drees minister van verkeer en waterstaat werd. Hij maakte zich in die functie gehaat bij autorijdend Nederland. Drees pleitte voor krachtige maatregelen om het autoverkeer te beteugelen en het openbaar vervoer te bevorderen. Eerder dan veel mensen van zijn tijd voorzag hij dat Nederland anders één grote stilstaande file dreigde te worden.
Lang hield het vijfpartijen-kabinet niet stand. Na ruim een jaar voelden Drees en zijn partijgenoot De Brauw, de minister van wetenschappen, zich genoodzaakt op te stappen. Het kabinet ging niet akkoord met Drees' voorstellen voor een verdergaand overheidsingrijpen in de lonen en prijzen. Drees heeft dat altijd gezien als een even geslaagde als domme poging om DS'70 uit het kabinet te verwijderen. Hoe dan ook, het leidde de val in van het kabinet-Biesheuvel en maakte de weg vrij voor het aantreden van het kabinet-Den Uyl.
Drees was tot 1977 fractieleider van DS'70 in de Tweede Kamer. Daar nam hij het op tegen de politiek van de PvdA, die hij te vrijgevig vond met overheidsgeld en onvoldoende attent op misbruik van sociale voorzieningen. Hij hekelde de wildgroei aan subsidies en begreep niets van het besluit van het kabinet-Den Uyl om een peperdure, halfdoorlaatbare dam in de Oosterschelde aan te leggen. Ook zette hij zich af tegen de wijze waarop aan Suriname naar zijn idee te vroeg de onafhankelijkheid werd opgedrongen. Drees hield de politiek voor gezien, toen DS'70 bij de verkiezingen van 1977 nog maar één zetel overhield.
Na zijn pensionering bleef hij de landelijke politiek op de voet volgen. Via de media, maar ook door zich te storten op partijprogramma's en nota's. Lichte voldoening voelde hij wel over het feit dat de PvdA in de loop der jaren steeds meer oog kreeg voor de noodzaak van een strak beheer van de overheidsfinanciën. Maar dit 'gelijk van Drees' stemde hem nauwelijks positiever over de landsbestuurders, van wie hij vond dat velen de neiging hadden om terug te schrikken voor echte ingrijpende besluiten.
Het stemde hem ook somber over het vermogen van de mensheid om de aarde bedreigende ontwikkelingen op tijd te keren. In 1994 gaf hij in een vraaggesprek met Trouw de mensheid nog 56 jaar. “Maar ik kan me tien jaar vergissen”, voegde hij eraan toe.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.