*

 
dossier

Archief

Geen vervolging in zaak Borsumij Wehry

Door: redactie − 03/02/96, 00:00

Van onze redactie economie AMSTERDAM - Het openbaar ministerie ziet af van vervolging in de zaak Borsumij Wehry, waarbij toenmalige bestuurders van dit Haagse handelshuis verdacht werden van handel in aandelen met voorkennis. Volgens het openbaar ministerie is er onvoldoende bewijs voor verdere vervolging.

Eerder deze week werd Begemann-topman J. van den Nieuwenhuyzen in de RDM-voorkenniszaak vrijgesproken. De twee mislukte rechtsgangen binnen één week tonen aan hoe moeilijk beursfraude te bewijzen is. Vorig jaar kwam een groot aantal zaken in de openbaarheid, waarbij sprake zou zijn van misbruik van voorkennis: HCS, Medicopharma, RDM en Borsumij Wehry. Tot veroordelingen kwam het niet.

Bij de RDM-zaak probeerden de advocaten van de verdediging onlangs duidelijkheid te brengen in het vage grensgebied tussen kennis en voorkennis. Van het laatste is sprake, zo stelden zij, als de informatie slaat op een feit dat zich zeer waarschijnlijk zal voordoen. Bovendien moet dat feit van belang zijn voor de hele bedrijfsactiviteit. De rechter bleek echter strenger. Op basis van zijn uitspraak is alle informatie van topmanagers in feite potentiële geheime kennis die tot voorkennis leidt.

Gerust hart

Toch keken de advocaten van Van den Nieuwenhuyzen al met een gerust hart vooruit naar de zaak Borsumij Wehry, waarin zij ook de verdediging voerden. Daarin draaide het om negen managers, waaronder bestuursvoorzitter J. Noordam en bestuurslid A. van der Graaf. Zij zouden met voorkennis hebben gehandeld in aandelen Borsumij bij de aankoop van de niet beursgenoteerde sectorgenoot Stokvis. Na het bekend worden van de overname steeg de koers van Borsumij enkele punten. Toen de affaire vorig jaar bekend werd, leidde dit tot een versnelde overname van het Haagse handelshuis door branchegenoot Hagemeijer.

Volgens de verdediging wisten de negen dat men uit was op overname van Stokvis, maar zij kenden niet de financiële details. Dat moest ook het openbaar ministerie vaststellen. Het stelt dat de rechercheurs geen enkel document hebben gevonden waaruit bleek dat de negen “op de hoogte moeten zijn geweest van beslissingen (. . .) die koersgevoelige vertrouwelijke informatie vormden”. Maar het tekent er wel bij aan dat de raad van bestuur en de raad van toezicht nauwelijks aan schriftelijke verslaglegging deden. De Stichting toezicht effectenverkeer die in in 1994 aangifte deed van de zaak, weigerde gisteren elk commentaar.

mailIcon print |