*

 
dossier

Archief

Regering Vietnam wil weer van de dollar af Een brommer is Honda, een tv heet Sony en benzine noemen ze Shell Negen van de tien dorpen heeft nog geen telefoon

ESTHER BOOTSMA − 07/01/95, 00:00

HO CHI MINH-STAD - Engels voor chauffeurs, Engels voor ondernemers, Engels met een Amerikaans accent. Elke avond, rond half acht, raakt in sommige straten van Ho Chi Minh-stad plotseling het verkeer verstopt. De Engelse les is dan afgelopen en duizenden jonge Vietnamezen persen hun brommers door de poorten van de avondscholen. Om nog even snel een paar toeterende rondjes te rijden.

Op spandoeken tussen de bomen worden de talrijke cursussen aangeboden, winkels puilen uit van de talencassettes. Afgelopen is het tijdperk van de duizenden Russische tolken en leraren, die nu allemaal werkloos zijn. Aangebroken is de tijd van het toerisme en het westerse bedrijfsleven.

De Vietnamezen willen snel leren, kúnnen goed leren en hebben een uitstekend taalgevoel, zegt men. De beginner slaat nog vaak de laatste lettergreep over: vraagt you li Vietnam? en vindt alles very ni. Maar sommigen spreken het Engels al zo perfect dat de Nederlander - die in den vreemde gewend is te worden geprezen om zijn talenkennis - zich bijna schaamt.

De gretigheid waarmee Vietnamezen hun conversatie willen oefenen komt uiteraard niet altijd gelegen. Twee politieagenten die midden in de nacht met veel kabaal hotelgasten wakkerbonzen voor een paspoortcontrole, zijn niet uit de kamer weg te slaan. “Hij leert nu Engels, wil graag oefenen”, zegt de ene over de andere agent. Pas als om half één 's nachts tot hen doordringt dat morgen de husband komt, is de leergierigheid bevredigd.

En mag de hotelgast weer even slapen, tot om half zeven de geluidsoverlast op straat onverbiddelijk wekt. Ho Chi Minh-stad is herrie, herrie, herrie. Vrouwen prijzen met een luid jippiajee manden met stokbroodjes aan, de irritante electronische Für Elise bliept uit alle kieren van de stad. En dan zijn er natuurlijk de oorverdovende brommers, die de afgelopen twee jaar in aantal minstens zijn verduizendvoudigd. De straat oversteken is een levensgevaarlijk avontuur geworden, door de dichte, eindeloze massa brommers.

Pardon, Honda's. Vietnamezen zijn dol op merknamen. Het woord brommer gebruiken ze niet, alleen Honda, al rijden ze een ander merk. Radio's en tv's heten hoe dan ook Sony, en benzine noemen ze Shell. Het Vietnamese ideaal tegenwoordig is de Dream Two: de meest populaire Honda, die tegen de 5000 gulden kost. Een droom voor twaalf gemiddelde jaarsalarissen in Vietnam, dus vrijwel onbetaalbaar.

Maar ook een eenvoudige tweedehands brommer kost gauw achthonderd gulden. Het lijkt een raadsel dat zoveel Vietnamezen dat kunnen betalen, aangezien het gemiddelde jaarinkomen slechts de helft is. Ondanks de bekering tot de markteconomie en toestroom van investeerders, is Vietnam nog steeds een van de armste landen ter wereld.

Maar dat geldt vooral voor het platteland. De kloof tussen arm en rijk is in enkele jaren zeer, zeer groot geworden. Inwoners van Ho Chi Minh-stad verdienen inmiddels al tien keer meer dan het gemiddelde. Zoals de voormalig bootvluchteling Ly Van Kien (26), die drie jaar geleden terug kwam nadat zijn poging vanuit het Indonesisch vluchtelingenkamp naar Amerika te gaan, was mislukt.

Aanvankelijk vond hij het verschrikkelijk om terug te zijn. Begin 1992 was er nog helemaal niet zoveel veranderd, vond hij, en lag hij maandenlang apatisch op bed. Tot zijn zus werk voor hem vond. “In een hotel, niks voor mij.” Via andere baantjes kwam hij bij een Thaise bank terecht, als geldloper, en daar is hij nu tevreden. “Ik verdien 360 gulden per maand. Best veel, maar het is telkens binnen twee weken op”, grijnst hij, importsigaretten rokend voor de stereotoren in het gerenoveerde huis van zijn ouders. “Ik weet niet waaraan. Uitgaan vooral. Er is zoveel te doen. Bier drinken met vrienden, soms naar een disco.” Alleen bioscopen laten ze links liggen, daar draaien saaie, oude films, ze huren liever een nieuwe Kungfu-video uit Hongkong.

Ly heeft het gemak van één baan en kantoortijden, maar veel stadsbewoners hebben dubbele banen en maken lange uren om hun geld bijeen te sprokkelen. Overal wordt 's avonds doorgewerkt, in de bouw, in fabrieken, in naaiateliers. Ook Chinh (31), die thuis naait, maakt lange dagen. Haar benen zijn verlamd, door een granaatscherf die haar als kind in de schouder trof.

Haar sportrolstoel, gekregen van het Nederlands Comité Nederland-Vietnam, staat ongebruikt in een hoek van de kamer. Al won ze vorig jaar in Singapore een bronzen en drie zilveren medailles, voor trainen (om vijf uur 's ochtends als de straten nog leeg zijn) en racen heeft ze nu geen tijd meer. “Ik moet ontzettend veel naaien, om aan tachtig gulden per maand te kunnen komen”, zegt ze.

Haar man is horlogemaker en heeft nauwelijks klanten. Die kan dus wel racen, en komt vrolijk de woon/slaapkamer binnengereden. Hij heeft vanochtend de halve marathon rond de kathedraal in Saigon gedaan; een voorronde voor wedstrijden in april ter viering van 20 jaar bevrijding. Achter hem stiefelt een neef luid gapend binnen, elf uur zondagochtend. “Hij was tot laat in de garage”, vertelt Chinh. “Meestal werkt hij zo'n twaalf uur per dag.”

Vietnam is in een overgangsfase. De meesten die je ernaar vraagt, roepen dat het goed gaat, dat er veel verbeterd is. Toch zijn er tien miljoen mensen met te weinig of geen werk. Zoals de vrouwen op de stoep, om de paar meter achter een glazen kastje met sigaretten en wat stoffige zakjes Thaise zoutjes.

En de wandelende restaurants: vrouwen die urenlang rondsjouwen met een zwaar doorbuigend juk over hun schouder met twee pannen soep. In Ho Chi Minh-stad alleen zijn er een half miljoen daklozen en groeien de krottenwijken door de plattelanders die naar de stad trekken. De woonruimte is beperkt, leven doet men op straat. Op de stoep kun je nauwelijks lopen, omdat die vol staat met kniehoge tafeltjes en stoeltjes, waar mensen noedelsoep eten voor dertig cent. Of slapen. Of zitten te kaarten.

Buitensporige luxe kent Vietnam nog nauwelijks, behalve dan misschien de zes golfbanen die het land inmiddels bezit. Maar daar speelt bijna niemand, zelfs niet op de fraai aangelegde 18 holes in het centrum van Dalat, het prachtige bergstadje ten noorden van Ho Chi Minh-stad. Tussen de pijnbomen en de oude Franse villa's, met een koel klimaat ideaal om te golfen. Maar 180 gulden per persoon vindt zelfs de toerist teveel.

De wegen zijn nog abominabel, slechts een op de tien dorpen in Vietnam heeft telefoon. Op het platteland zie je nog maar in enkele dorpen vooruitgang, zoals rond de bekendste badplaats Nha Trang. Daar straalt het optimisme je toe, via een kersvers asfaltweggetje door glanzendgroene rijstvelden naar een dorp waar iedereen nieuwe bakstenen huizen bouwt en de gepleisterde muren in favoriet zachtpaars en lichtblauw saust.

Zo kan het overal worden, maar dat zal langer duren dan een paar jaar geleden werd voorspeld. Hoewel de buitenlandse investeringen onlangs de 18 miljard gulden overschreden, gaat het niet zo snel als werd verwacht. Vooral doordat de regering de bureaucratische rompslomp en corruptie niet weet aan te pakken. Er is een speciale staatscommissie voor investeringen opgericht, bedoeld om alle zaken met buitenlandse bedrijven af te handelen, maar dat heeft nauwelijks effect. De investeerder moet nog altijd 'minstens 14 deuren door', zoals de Vietnamezen zeggen, van verschillende ministeries, provinciale autoriteiten, plaatselijke autoriteiten. Goedkeuring voor een project kan nog zo'n drie jaar duren.

En dan zijn er natuurlijk incidenten die investeerders afschrikken. Zoals een Australische projectontwikkelaar die in Ho Chi Minh-stad een kantoorflat van elf verdiepingen bouwde, en toen van het Volkscomité te horen kreeg dat er vijf verdiepingen af moesten. Of Coca-Cola, die dacht het contract voor een fabriek rond te hebben, maar ineens geen toestemming kreeg. Pepsi draait er al, maar Coca-Cola moet wachten tot meer colaproduktie 'in harmonie met de marktvraag is'.

En als het aan vice-premier Phan Van Khai ligt, gebeurt dat nooit. Hij zei onlangs te hopen dat de consument vooral Vietnamese fruitdranken blijft drinken, zodat 'het land niet overstroomt met cola'. Ook westers ogende reclame werd onlangs verboden, nadat Tiger-bier uit Singapore door een blond model werd aangeprezen.

De Vietnamese regering maakt zich zorgen. De economische hervormingen moeten sneller, maar corruptie, verwesterlijking en dissidentie moeten worden tegengegaan. Zo werd de halve finale van het WK-voetbal in juli van de televisie gehaald, voor een uitzending over de overleden Noordkoreaanse leider. En werden schrijvers en boeddhistische leiders het afgelopen jaar meer vervolgd dan het jaar daarvoor. En doen nog veel verhalen de ronde dat Vietnamezen die een buitenlander te eten of te logeren vragen, daarna de politie op bezoek krijgen voor een stevige ondervraging.

“De mensen zeggen wel dat ze meer vrijheid hebben. Maar de meesten durven nog geen buitenlanders thuis uit te nodigen”, zegt een arts in Hué, in midden Vietnam. “Tja, Hué”, spot bankbediende Ly in Ho Chi Minh-stad, terwijl hij zijn Hollandse gast water inschenkt. “Daar is nog niks veranderd. Saaie staatswinkels, waar de verkopers niet hun best doen om er iets moois van te maken.” Behalve dan de restauranteigenaren die zich ineens doofstom gedragen, nu een doofstomme concurrent in hun straat in de bekendste reisgids over Vietnam wordt aangeprezen.

In het zuiden geldt volgens Ly wel degelijk vrijheid-blijheid. Waar of niet, feit is dat de inwoners van Ho Chi Minh-stad in elk geval twee recente verordeningen van de regering negeren. Ze weigeren brommer te rijden met een helm op. “Veel te gevaarlijk, dan hoor je niemand toeteren.” En de verplichting sinds 1 oktober om geen dollars meer als betaling te accepteren - tot ergernis van de regering circuleren er bijna 3 miljard Amerikaanse dollars - is een lachertje. Van fietstaxi-rijder tot electronica-verkoper, iedereen vraagt dollars. En knoopt dan een gezellig Engels gesprek aan.

mailIcon print |