*

 
dossier

Archief

'De stad stikt van het gespuis. Mijn zoon zal u terugbrengen'

FRANS DIJKSTRA − 23/01/97, 00:00

GROZNI - Als de avond valt, lijkt Grozni in niets meer op de hoofdstad van een trotse republiek. Maar weinigen wagen zich in de duistere straten, ook al is de oorlog tussen Rusland en zijn separatistische landsdeel Tsjetsjeniƫ tot bedaren gekomen.

“Wat doet u zo laat op straat. Het is niet veilig hier”, zegt een vrouw op de binnenplaats van haar flatgebouw tegen de late wandelaar die duidelijk niet van hier is. “De stad stikt van het gespuis. Mijn zoon zal u terugbrengen naar uw adres.” Ze roept omhoog, haar stem weerkaatst tussen de gevels die pokdalig zijn van de kogelinslagen. Roestam (17) en buurjongen Arbi (18) snellen naar beneden en zijn maar al te blij om de vreemdeling door de onveilige straten te brengen. “Er valt toch niets anders te doen hier”, zegt Roestam.

We slaan het advies van moeder in de wind en lopen met de beide jongens wat verder in de stad. Roestam en Arbi vinden de stad ook onveilig. “Er zijn zoveel mensen zonder geld maar met wapens. Mensen die alles verloren hebben in de oorlog, maar ook junkies. Als je niet van hier bent, weet je niet wie je kunt vertrouwen.”

Deze jongens vertrouwen we toch maar. Ze zijn in ieder geval aardig. Het is een lastige tijd voor de Tsjetsjenen. Maandag vinden de verkiezingen plaats en het is ramadan, de islamitische vastenmaand. Of iemand het zo bedacht heeft of niet, de vastenperiode houdt in ieder geval eventuele politieke passie binnen de perken. 's Avonds zit iedereen thuis, voor de veiligheid, en ook om te eten, te drinken en te roken, alles wat deze maand volgens de islamitische schrift bij daglicht verboden is.

Voorzover er campagne wordt gevoerd voor de presidents- en parlementsverkiezingen, gebeurt dat overdag. Dan regent het ook voorspellingen dat duistere krachten met geweld zullen proberen de verkiezingen te verstoren. Een van de belangrijkste kandidaten voor het presidentschap, de militaire bevelhebber van de onafhankelijkheidsstrijd, Aslan Maschadov, zit zelfs thuis omdat zijn leven gevaar zou lopen. Hij laat zijn verkiezingscampagne over aan medewerkers. Maar dat kan evengoed een politieke tactiek zijn: Maschadov, de man die tegen de Russen kan vechten en die ook nog met ze kan praten, verwaardigt zich niet tot een woordenstrijd met zijn belangrijkste concurrent en voormalige ondergeschikte, de jonge commandant en volksheld Sjamil Basajev.

De politieke strijd tussen Maschadov en Basajev en nog veertien minder indrukwekkende aspiranten voor het presidentschap, lijkt de Tsjetsjenen allerminst diepgaand te verdelen. Vooral in Rusland worden de Tsjetsjenen een heetgebakerdheid en onderlinge naijver toegedicht, die in werkelijkheid ver te zoeken is. Dit was ook al bewezen toen de zeer uiteenlopende Tsjetsjeense commandanten deze zomer gezamenlijk hun beslissende overwinning boekten in de slag om het door Russen bezette Grozni.

Nu praten de mensen in Grozni vrijuit over hun keuze van de man die hen verder moet brengen op de weg naar onafhankelijkheid van Rusland. Er lijkt respect te zijn voor de verschillende opvattingen. Ook de jongens Roestam en Arbi zullen verschillend kiezen, zonder dat ze daarover heibel krijgen. Roestam stemt op Maschadov en Arbi op Basajev. “Met Basajev krijg je een sterke man die voor stabiliteit zal zorgen”, verdedigt Roestam de keuze van zijn buurjongen. Op zijn beurt zegt Arbi over de voorkeur van zijn vriend dat Maschadov een wijs man is.

De jongens zijn het eens over een derde kanshebber voor het presidentschap, Movladi Oedoegov, met zijn 'islamitische orde'. “Dat lijkt me niks”, zegt Arbi.

We lopen naar het centrum, langs de Lenin Prospekt, nu genoemd naar sjeik Masoed, een held uit de eeuwenlange strijd van de Tsetsjenen om de Russen weg te krijgen. Het is de belangrijkste straat van het centrum, met rijbanen aan weerszijden van een bomenrijk pad om te flaneren. We zijn de enigen die hier nu wandelen.

- Vervolg op pagina 5

Puin en leegte in hart van Grozni VERVOLG VAN PAGINA 1

De straatverlichting doet het niet. Lantaarnpalen liggen geknakt langs de weg. Zelfs in het donker is te zien dat er weinig meer dan de gevel overeind staat van de gebouwen waar eens winkels, kappers, restaurants en woningen zaten. De binnenmuren zijn verdwenen, de resten van plafonds hangen slap omlaag in de duistere leegte. De gevels zijn geblakerd door de heftige branden die hebben gewoed na de Russische bombardementen. In de koplampen van de enkele auto's die passeren lichten de kogelgaten in het roet op.

Na een paar honderd meter eindigt de bebouwing. Het lijkt alsof je de stad uitloopt, naar een vervallen industrieterrein. In feite lopen we het hart van de stad in. Op de kale vlakte zijn stapels puin bijeengeveegd. Staken staal en beton tekenen zich donker af tegen het maanlicht. Vlak voor de laatste slag om Grozni liet de Russische zetbaas Zavgajev de ruïne van het presidentiĆ«le paleis opruimen. Het puin was te gevaarlijk, zei hij toen het paleis de achtergrond werd voor dagelijkse demonstraties tegen zijn poging TsjetsjeniĆ« te regeren. Het puin van de andere regeringsgebouwen liet hij liggen, dat was kennelijk minder gevaarlijk.

Nu is dat hele centrum een grote modderpoel. De nachtvorst legt er een verraderlijk ijslaagje omheen, dat ligt te glimmen in het maanlicht. We lopen midden op de brede straat, auto's zijn er nauwelijks en ze rijden langzaam om de bomkraters in het asfalt te vermijden. Arbi en Roestam wijzen de lege plekken aan waar vroeger de bezienswaardigheden stonden: de Tsjechov-bibliotheek met zijn enorme boekencollectie, ministeries, de geheime dienst. Niets staat er meer.

Roestam staat even stil: “Hier was het heel mooi”, zegt hij. “Een plantsoen waar altijd de mooiste bloemen bloeiden.” We steken een brug over. “Hier moest je echt uitkijken. Er was hier een Russische wegblokkade en verderop nog een. De ene was van het ministerie van buitenlandse zaken, de andere van defensie. Om de een of andere reden schoten ze op elkaar, ze hadden zeker ruzie. Je moest altijd verdraaid goed uitkijken dat je niet in hun vuurlinie terecht kwam. En je moest natuurlijk oppassen dat ze je niet pakten. Als er ook maar iets was wat hen niet zinde, dan kwam je in een kamp terecht.”

Bij een brug verderop zegt Arbi bijna achteloos: “Halverwege deze brug was je dood. Hier kwam niemand levend overheen. De Russen die hier zaten waren zo bang dat ze meteen schoten.”

Deze gevreesde post bleek ook niet te houden te zijn toen het Tsjetsjeense verzet begin augustus zijn laatste grote offensief opende. “De soldaten hier waren om zeven uur 's avonds al dronken”, weten de jongens. “Ze hadden geen idee wat ze overkwam toen de aanval begon.”

We lopen verder naar het station. De jongens moeten overleggen over de route. Ze zijn opgegroeid in Grozni, maar de weg vinden is moeilijk geworden. Er zijn nauwelijks herkenningspunten meer, het is allemaal puin, modder en leegte. Een brede betonnen trap die vroeger naar de perrons leidde, brengt je nu nergens meer heen. De overgang eindigt in de lucht. Toch staat er een diesellocomotief te ronken. “De treinen rijden weer”, zeggen twee politiemannen die informeren wat we hier in het donker te zoeken hebben. “Gaat u naar huis, het is hier niet veilig. De trein naar Moskou komt pas morgen. Alles wordt weer normaal.”

mailIcon print |