Allard Schröder: Het pak van Kleindienst. De Bezige Bij, Amsterdam; 123 blz. - ¿ 27,50.
Toch heeft Schröder zelf zich als schrijver ruimschoots bewezen: vorige maand verscheen al zijn vierde boek, de verhalenbundel 'Het pak van Kleindienst'. In vijf sprankelende, korte verhalen roept Schröder steeds een andere, intrigerende en magische wereld op. De verstilde onderwaterwereld van een duiker, of het visioen van een wetenschapper die zijn radarscherm aftuurt naar oplichtende tekens uit de hemel.
De even verlokkende als dreigende sfeer die 'Het pak van Kleindienst' ademt, steeg ook al op uit de vuistdikke roman 'Raaf' die een jaar eerder verscheen. 'Raaf' werd, in tegenstelling tot Schröders eerste boeken, 'De gave van Luxuria' en 'De muziek van de zwarte toetsen', ineens ook door de critici opgemerkt.
Voor Schröder maakt dat geen verschil: “Dat ik publiceer, en nu ook besproken word, heeft op mijn gevoel over het schrijversschap geen invloed. Was ik arm en volslagen onbekend gebleven, dan zat ik nog te pennen. Een leven zonder schrijven kan ik me gewoon niet voorstellen.”
Het bewijs van zijn woorden heeft Schröder opgeslagen in de kelderbox van zijn Amsterdamse appartement. Daar staat een grote, oude munitiekist vol manuscripten die hij op jonge leeftijd schreef, maar die nooit zijn gepubliceerd. “In totaal zitten er vijf romans in en nog wat kleingoed. Er is zelfs een dikke turf van zeshonderd pagina's bij. Maar het meeste wat erin zit, is niet goed genoeg. Spielerei. Wil je een beetje kunnen schrijven, dan moet je toch eerst zo'n tweeduizend pagina's achter de rug hebben.”
Het levensritme van Schröder is, vanaf het moment dat hij het studeren eraan gaf en niet langer als flessenvuller en hulpje op de operatiekamer wilde werken, al jaren constant. “Ik schrijf. Voor mijn lol, niet voor een literair tijdschrift of wie dan ook. Ik doe dat gewoon. Sommige mensen vinden dat ze het gras moeten gaan maaien, ik zit achter een bureau en schrijf twee pagina's per dag. Schrijven is goed voor het psychisch spijsverteringskanaal.” Schröder benadrukt dat daar geen therapeutisch luchtje aan zit. “He-le-maal niet. Het zou pas een probleem worden als ik niet zou mogen schrijven.”
Allard Schröder raakte voor het eerst gegrepen door de literatuur op de middelbare school. In de dagen dat hij vanuit zijn geboorteplaats Haren naar het Groningse Praedinius Gymnasium fietste - “altijd wind tegen, op weg naar die grote, witte classicistische doos” - bleef hij haken aan de Griekse poëzie. Hij vertaalt nog altijd uit het Grieks en Latijn. Onlangs publiceerde hij in het tijdschrift 'Lampas' vertalingen van epigrammen van Palladas:
Zijn wij Hellenen niet al dood en is ons leven schijn, nu in onze hoogste nood? Zou deze nachtmerrie dan toch het leven zijn? - wij zijn er immers nog - maar is het leven dood?
Interessanter nog dan de rechtstreekse vertalingen - “ze hebben zo'n moeite gedaan de klassieken in mijn kop te stampen, dat het er nu ook daadwerkelijk niet meer uitkan.” - is de invloed van de Griekse mythologie in Schröders eigen proza. “Die is er natuurlijk wel, maar ik probeer de sporen van de mythen altijd zoveel mogelijk toe te dekken. Ik ben niet streng in de leer. Het moet passen in mijn verhaal. Desnoods pas ik de mythe aan aan mijn wensen. Het is zo'n gewoon ingrediënt van mijn leven, zoals voor een ander misschien de Bijbel. Het is er gewoon, en dat gebruik ik of dat gebruik ik niet. Ik zit er niet devoot geknield voor neer. De Griekse mythologie is heel vanzelfsprekend in mijn werk aanwezig. Daar doe ik niet gewichtig over. En dat is het ook niet.”
“Als ik toch besluit om het klassieke aspect een duidelijk gezicht te geven, zoals in de verhalen 'Het schild' en 'Adrastus', die respectievelijk in Sparta en het oude Rome spelen, dan geef ik dat op een bepaalde manier vorm. Anders gaat het mis. Je kunt met de techniek van de hedendaagse realistische roman geen klassiek verhaal schrijven. Dat werkt niet. Je kunt ze geen dialoog in de mond leggen als in een Amerikaanse tv-serie. Nu houd ik überhaupt niet van zogeheten 'praatdialogen'. Wil je nog koffie? Moet er ook nog suiker in? Dat soort onzin. Dat wil ik niet, daar heb ik een hekel aan. Dus dat schrijf ik niet.”
“De twee antieke verhalen zijn misschien ietsje gestileerder dan de andere in 'Het pak van Kleindienst'. . . hoewel, ik kies voor ieder verhaal een ander palet. Inhoudelijke verschillen vinden altijd hun weerslag in de taal waarin ik ze schrijf. Ik geloof niet in de stelling: één man, één stijl. Je kunt altijd mijn vingerafdruk terugvinden in mijn verhalen, maar ik pas me immer aan. Een beetje componist schrijft ook niet alles voor dezelfde bezetting.”
Dan zwijgt Schröder. Hij laat zijn blik dwalen over de prachtige Perzische tapijten die de vloer van zijn schrijfkamer bedekken. Even later vertelt hij verder en schakelt, schijnbaar onbewust, ineens over op het woordje 'je' als hij zichzelf bedoelt. Alsof hij na het doen van de voorafgaande persoonlijke confessies nu de algemene waarheden van het schrijven declameert: “Voor het schrijven van een verhaal moet je uit een heel ander vaatje tappen dan bij een roman. Een verhaal heeft een veel hoger soortelijk gewicht, bij een roman gaat het om de lange boog. Je moet in een roman niet de ene mooie waarneming op de andere te stapelen. Dan word je gek en raakt het onleesbaar. Topzwaar. Als een pakje roggebrood dat je steeds opnieuw naar binnen moet werken. Een steen op je maag.”
Aan de hand van het ontstaan van het titelverhaal van zijn bundel licht Schröder toe hoe hij het evenwicht zoekt tussen plot - “een duwbootje dat de inhoud voortstuwt” - idee en een lichte stijl. “Van het pak van Kleindienst heb ik gedroomd. Ik maak van mijn dromen aantekeningen. Op een morgen stond er een notitie: 'duikpak'. Ik vergat dat daarna weer, maar kennelijk bleef het in mijn hoofd toch gisten. Wat een gek idee: iemand die woont in een duikpak, een soort ultieme prothese van al je lichaamsfuncties. Vervolgens denk ik de duiker onder water, en eigenlijk is het verhaal er dan al. Vanaf dat moment moet je er maar op vertrouwen dat het goedkomt. Dan ga je schrijven en ontstaat er een patroon, er komen personages bij en dan zit je al bijna halverwege het plot. Het geschut is in stelling gebracht. Het enige wat je dan moet doen is schieten.”
“Ten slotte ga je eindeloos je zinnen boetseren. Heel langzaam krijg je het verhaal rond. Het is kneden, duwen en trekken. Schrijven is niet spontaan. Het getuigt van een achterhaalde literatuuropvatting om te denken dat een schrijver een soort idiot savant is die absoluut niet weet wat hij doet. Misschien gaan de eerste regels of pagina's vanzelf, maar daarna zie je die zinnen nog een keer, nog een keer en nog een keer. Net zolang totdat de beginregels vaststaan:
“Ik ben duiker. Om meteen maar elk misverstand weg te nemen: het duiken is niet mijn beroep. Ik ben duiker uit overtuiging. Onder water leef ik. Dat is mogelijk omdat ik in het bezit ben van een zeer zeldzame, bijna volmaakte duikuitrusting. Voor de kenners: hij is ontworpen door de bekende Gotthelf Kleindienst, een man die nooit de erkenning heeft gekregen die hem naar mijn overtuiging toekomt.”
Het hele schrijfproces voltrekt zich in Schröders hoofd. Hij heeft het niet nodig zich eens zelf in een duikerspak te hijsen. Zelfs de verleiding van alles op te zoeken over de werking van luchtflessen weerstaat hij. “Dat doe ik allemaal niet. Dan sta je toe dat een ander je verhaal gaat schrijven. De werkelijkheid moet je alleen maar toelaten als het hoogst nodig is. Die kun je niet als een maatlat langs je tekst leggen. Dat zou hopeloos zijn, vreselijk. De werkelijkheid is er voor de wetenschap, voor de journalistiek desnoods. Niet voor de schrijver.”
“Waar het in de literatuur om gaat is emotioneel inzicht. Je verhevigt en vertekent de werkelijkheid, waardoor de contouren duidelijker worden. Een boek dat niet emotioneel geladen is, is een rotboek. Een roman moet een hol gevoel geven. Tsss, je de adem benemen of je laten denken: jé!, wat goed. Dat is het mooiste wat je kunt bereiken. Dat je het niet hier” - Schröder wijst met zijn vinger naar zijn hoofd - “maar hier voelt.” Zijn hand rust op zijn hart. “Niet cerebraal, maar emotioneel. Een emotionele uitroep, dat is de zin van fictie.”
Met platte sentimentaliteit heeft dat volgens Schröder niets te maken. “Ik haat gesnotter”, stelt hij bars. De emotionaliteit in zijn verhalen wordt in de eerste plaats gewekt door een onwerkelijk gevoel van vrijheid. “Als schrijver postuleer je een niet-stoffelijke wereld, een theater, waarin de geest van de lezer vrij kan zijn en de schrijver met vormen en beelden kan doen wat 'ie wil. Een bereik waarin je bij wijze van spreken over water kunt lopen. Anders blijf je weer met je poten in de modder van het realisme zitten. Als fictieschrijver moet je in een andere wereld treden.”
Dat is de reden dat Schröder vaak buitenstaanders kiest als zijn belangrijkste personges. “Dat maakt de dingen pregnanter. Veel lezers eisen cliché-personages. Daarom lijken veel romanhelden op elkaar: intellectuelen, die op zoek zijn naar hun roots. Enfin, je kent ze wel. Die wil ik niet beschrijven. Het is mijn personages verboden te analyseren. Ze moeten magisch denken, in beelden. Zelfs Oudeis, de radarwaarnemer uit het verhaal 'In Arcadië', mag niet analyseren. Ook al is hij van alle personen de hoogst opgeleide. Hij staart zijn radarscherm af als ware het de hemel. Hij speurt naar de oplichtende puntjes, hij droomt erbij weg. Maar dan wordt langzaam het dunne vlies wat hem omgeeft opgetrokken. Als bij iemand die denkt in het paradijs te verblijven, en er plotseling achterkomt dat hij op een vuilnisbelt woont.”
Deze wrange moraal neemt Schröder buitengewoon serieus. “Het leven is bedrog. Als je jong bent, wordt alles je veel mooier voorgesteld dan het in werkelijkheid is. Alsof je, als je maar goed je best doet, alles kunt bereiken. Je kijkt op naar al de geïdealiseerde levens in boeken en films. Maar zo ís het natuurlijk niet. Het leven is zompig. Er is geen verlossing. Maar met een beetje hangen en wurgen zit je de rit wel uit.”
“Kijk, als je een boek zo houdt”, zegt Schröder opeens, terwijl hij zijn zware roman 'Raaf' van de tafel tilt, met gestrekte armen voor zich uithoudt en op een pagina openslaat, “dan moet er ook wel eens wat bloed en snot uitlopen.”
Zijn blik zakt van het boek naar beneden op het kleurige kleed alsof ook werkelijk gebeurt wat hij zojuist beschreef. Of ziet hij de passage uit een van zijn verhalen voor ogen, waarin zo'n tapijt voor een klein angstig meisje in de wereld van volwassenen toch nog een sprankje hoop vertegenwoordigt? Op de zevende pagina van 'De slaapster' staat er:
“Het dieprode Oosterse kleed hield haar ogen gevangen. Dwangmatig volgden haar ogen de rand die om het midden een sierlijke contradans van patronen uitvoerde met de wilde warreling van bloemen, palmetten en arabesken van het middenveld waarin, geheel in zichzelf besloten, een goud glanzend medaillon opvlamde. Zonder te weten waarom hoopte ze dat de ontraadseling van het lijnendoolhof haar de sleutel zou geven die haar van hier zou wegvoeren.”
Schröder schudt met zijn hoofd. “Het doolhof is een rare metafoor. Of het is een gangenstelsel waar je uit kunt komen, en dan vraag ik me altijd af: wat is er dan achter de uitgang van het labyrint? Of, als je er niet uit kunt, wat maakt het dan uit dat je in een doolhof bent? Niets. Dan kan je net zo goed blijven zitten waar je zit. Dan heeft het gedwaal geen zin. De metafoor deugt dus niet.”
“Eigenlijk”, lacht Allard Schröder, “zou je als schrijver niet meer met een doolhof aan moeten komen. Het is zo al erg genoeg.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.