BERLIJN - Zoals hij daar gisteren zat, daar bij die persconferentie in Bonn, zo kennen hem de meesten. Rustig, zakelijk, uiterlijk onaangedaan verkondigde Klaus Kinkel dat hij zojuist bij een crisiszitting van het FDP-partijbestuur zijn aftreden als voorzitter had bekendgemaakt. Zijn jonge, door Kinkel zelf in het zadel geholpen secretaris-generaal, Guido Westerwelle, las een korte verklaring voor waarin het bestuur zijn respect uitdrukte voor Kinkels beslissing en hem bedankte voor zijn inspanningen.
Het woord 'respect' viel vaak, daar in Bonn. Weliswaar zei de FDP-afgevaardigde Burkhard Hirsch dat het nieuws van Kinkels aftreden bij hem geen gevoelens van geluk teweegbracht, maar algemeen domineerde een zekere opluchting in de zwaar gehavende partij. Kinkels amper twee jaar durende voorzitterschap had de liberalen waarlijk geen geluk gebracht: van de veertien verkiezingen gingen er twaalf hopeloos verloren, inclusief die voor het Europese parlement, en hoewel iedereen wel weet dat zoveel tegenslag onmogelijk op één persoon terug te voeren kan zijn, heeft Kinkel weinig aan een ommekeer ten goede kunnen bijdragen. Daaraan is het bestuur voor een goed deel zelf schuld: zij had er in juni '93 bij Kinkel op aangedrongen om naast het zware ambt van minister ook het partijvoorzitterschap op zijn schouders te nemen, al was het maar om te verhinderen dat een ander (de intrigant Jürgen Möllemann) die post zou krijgen. De verwachting dat Kinkel, die als opklimmend ambtenaar en bureaucraat-achter-de-schermen grote verdiensten had, ook als visionaire politicus op zou kunnen treden, werd echter niet vervuld.
Alom werden zijn eerlijkheid en zijn inzet geprezen, maar Genschers erfenis - Kinkel was hem in '92 als minister van buitenlandse zaken opgevolgd - was voor Kinkel te zwaar. Hans-Dietrich Genscher, de man die de FDP in de armen van de christen-democraten had gedreven, maar daarbij voor zichzelf een duidelijk profiel wist te creëren, had zich lange tijd als Kinkels protégé opgesteld. “Tot op zekere hoogte ben ik een uitvinding van Genscher,” zei Kinkel ooit over zichzelf en wanneer men naar zijn carriére kijkt dan is dat ook zo. In 1970 haalde Genscher, die toen minister van binnenlandse zaken was, Kinkel als persoonlijk medewerker naar Bonn. Toen Genscher in '74, na de val van Willy Brandt, van ministerie wisselde, nam hij Kinkel mee. Kinkel klom op tot chef planning op het ministerie van buitenlandse zaken. In '79 werd hij hoofd van de binnenlandse veiligheidsdienst en in '82 verhuisde hij naar het ministerie van justitie binnen het CDU-FDP-kabinet waar hij - overigens nog steeds partijloos - staatssecretaris werd. Lid van de FDP werd hij pas toen hij in januari '91 voor het eerst minister (van justitie) werd.
Zijn gebrek aan wortels binnen de partij hebben Kinkel in de uitoefening van zijn voorzitterschap zeker parten gespeeld. Tevens belast met het ministerschap slaagde hij er niet in inhoudelijke accenten aan te brengen in een partij die zonder Genscher toenemend achter de rug van de brede Kohl verdween. Terwijl de basis steeds meer erodeerde en teleurgestelde kiezers in scharen overliepen naar de Groenen (die zich steeds meer tot een links-liberale partij voor de beterverdienenden ontwikkelen), moest Kinkel brandjes in de eigen partij blussen en ook nog pogen het herenigde Duitsland van een aangepast buitenlands beleid te voorzien. Na een desastreus verkiezingsjaar verliep in december vorig jaar het buitengewoon FDP-partijcongres in Gera voor Kinkel zo dramatisch, dat hij toen al overwoog het voorzitterschap neer te leggen. De gedelegeerden hadden zijn goedbedoelde oproepen met ijzige stilte en soms met hoongelach beantwoord, en Kinkel stond de ontzetting in het gezicht geschreven. Hij bleef nog even aan - op aandringen van Genscher onder andere. Met zijn aftreden van gisteren heeft hij een tweede spitsroeden lopen, begin juni op het partijcongres in Mainz, weten te voorkomen. De crisis in de partij zal er - zo vreest men - niet door worden afgewend.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.