*

 
dossier

Archief

'So berühre nichts von den religiösen Gegen stünden'

KEES ARNTZEN − 30/01/97, 00:00

De kerkdiensten op de zondagochtenden om negen uur in de Weense Hofburgkapel behoren tot de toppers van de toeristenindustrie: plaatsen zijn voor iedereen verkijgbaar maar haast altijd reeds lang van te voren vergeven. Reden: in deze laat-gotische ruimte met zijn polychrome heiligbeelden uit het eind van de vijftiende eeuw, weerklinken sinds jaar en dag de stemmen van de Wiener Süngerknaben.

Zo'n vijfhonderd jaar geleden werd besloten een keurkorps van jonge zangertjes op te richten, die - tegenwoordig onder instrumentale begeleiding van leden van de Wiener Philharmoniker - het muzikale aandeel van de zondagse mis komen verzorgen.

Ook Franz Schubert maakte - net als bijvoorbeeld Joseph Haydn - enige jaren deel uit van dit selecte gezelschap. Het jochie uit de voorstad Lichtental deed in oktober van het jaar 1808 toelatingsexamen voor het 'konvikt'. Hier waren de knapen - in Schuberts tijd honderdveertig in getal - ondergebracht. Ze ontvingen er hun muzikale en algemene scholing, maar moesten er wel wennen aan een straffe tucht, karige kost en onverwarmde vertrekken.

De heldere sopraan en het moeiteloos van blad zingen van 'Franzl' baarden algemeen opzien bij de toelatingscommissie. Voor Schubert betekende het vierjarig verblijf in het konvikt veel. Hij kreeg compositieles van Antonio Salieri (de zogeheten 'moordenaar' van Mozart) en leerde de kerkmuzikale praktijk van zijn tijd van binnen en van buiten kennen. Bij het verlaten van de instelling in 1812 noteerde hij op een van zijn zangpartijen: 'Schubert Franz zum letzten Mahl gekrüht am 26. July 1812'.

De kerkmuziek in het oeuvre van Franz Schubert vormt niet het meest in het oog springende deel ervan. Toch heeft hij zich zijn hele - korte - leven ook met dit genre intensief beziggehouden: aan het begin ervan, dingend naar de gunsten van de door hem aanbeden Thérèse Grob, of later toen hij eveneens tevergeefs dong naar de positie van muziekmeester in Laibach (Ljubljana in het huidige Slovenië).

Kerkmuziek schreef hij ook om zijn broer Ferdinand te plezieren. Voor hem componeerde hij een 'Deutsches Requiem' in f. Ferdinand deed het voorkomen - waarschijnlijk met instemming van Franz - dat hìj de auteur ervan was. Maar ook schreef hij - onmiskenbaar - enige malen uit een eigen, diep gevoelde religieuze behoefte.

Schuberts meest bekende religieuze lied, het 'Ave Maria' riep weerstand op bij sommige van zijn tijdgenoten vanwege het etaleren van een vroomheid die ze niet van hem kenden. Hij verdedigde zich met de woorden: 'Ik denk, dat het komt omdat ik mezelf nooit tot vroomheid dwing, en behalve wanneer ik door haar onwillekeurig overmand word, nooit zulke lofzangen componeer, maar dàn betreft het ook een ongekunstelde en waarachtige vroomheid.'

Schuberts verhouding tot de kerk moet op zijn minst dubbelzinnig zijn geweest. In de Lichtentaler parochiekerk ontving hij zijn eerste zanglessen van Michael Holzer, hij leerde er zijn liefje Thérèse Grob kennen en hier klonk op 16 oktober 1814, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de kerk, Schuberts eerste Mis, in f, in het openbaar.

Anderzijds knelden de herinneringen aan het 'konvikt' en de strenge religieuze opvattingen van thuis. Toen Franz uiteindelijk het ouderlijk huis had verlaten, drukte zijn broer Ignaz hem op het hart toch vooral niet te provoceren: 'Wenn Du an den Papa und mich schreiben möchtest, so berühre nichts von den religiösen Gegenstünden.'

Eenkennig in zijn geloofsopvattingen was Schubert in ieder geval niet. Hij, die zijn vrienden voornamelijk in kringen van vrijdenkers had, schreef met hetzelfde gemak muziek op teksten van de piëtistische dominee Niemeyer als op psalm 92 op Hebreeuwse tekst voor gebruik in de synagoge door de legendarische cantor Ignaz Sulzer.

In totaal liet hij vijf missen na op de officiële Latijnse tekst, diverse toonzettingen op teksten als 'Salve Regina', Tantum ergo' en 'Magnificat' en één zogeheten Deutsche Messe (1826). Die omvat een tiental liederen van Johann Neuman, om door een gemeenschap of koor te zingen tijdens de viering. Ze zijn duidelijk Schubertiaans liedachtig en niet geworteld in het Duitse koraal. Het was een van de pogingen om de volkstaal ingang te doen vinden in de katholieke liturgie.

Maar het instituut van de katholieke kerk was te sterk om het monopolie van het Latijn te willen opgeven. Dat instituut moest het bij Schubert telkens weer ontgelden.

In een tirade vanuit het Hongaarse Zeléz, waar hij rond zijn twintigste een baantje had als huismuziekleraar, schimpte hij op de praktijken van de 'pfaffen' (zwartjurken) aldaar: 'Ze brengen een schedel mee naar de kansel en roepen, kijk hier maar, jullie tuig van de richel (letterlijk in het Oostenrijkse Duits: 'pukerschükigten Gfriser'), zó zien jullie er straks uit.' Of: 'ja, daar gaat zo'n jongen met een of ander mens naar de kroeg, danst de hele nacht, dan gaan ze in beschonken toestand liggen en staan met z'n drieën weer op.'

In het licht bezien van de aversie die Schubert tegen de kerk ontwikkelde, is het volgens sommigen geen toeval dat in Schuberts missen steeds weer bepaalde teksten gewijzigd of consequent weggelaten worden, zoals de zinsnede 'credo in unam, sanctam et apostolicam Ecclesiam' uit het Credo van de mis. Anderen wijzen op de tot 1894 vrije praktijk van de omgang met de geheiligde teksten of, op het feit dat Schubert bij het componeren ervan op zijn geheugen afging.

Er zijn meer raadselen die juist Schuberts geestelijke muziek omgeven. Verwondering wekt ook het feit dat Schubert zijn geestelijk drama 'Lazarus', op tekst van de bovengenoemde Niemeyer, niet voltooide. Aanvankelijk werd het eerste bedrijf teruggevonden in de nalatenschap die zijn broer Ferdinand na zijn dood beheerde. In 1830 vond de postume première plaats van dit eerste deel. Spoedig daarna doken manuscripten van de tweede akte op en later nog weer eens, zodat het vermoeden ontstond dat het hele werk ooit nog eens boven water zou komen.

Dit nu bleek ijdele hoop. De algemene veronderstelling is, dat Schubert het werk inderdaad heeft laten rusten aan het einde van de tweede akte. Was het voor hem die bij voortduring bezig was met de dood, onmogelijk de derde akte, die de wederopstanding van Lazarus en diens terugkeer in het aardse tranendal behelst, te componeren?

Misschien geeft de tekst uit het derde couplet van het Ave Maria uitsluitsel en inzicht in Schuberts gedachtewereld: 'Der Erde und der Luft Dümonen, von Deines Auges Huld verjagt, sie können hier nicht bei uns wohnen'.

mailIcon print |