*

 
dossier

Archief

Oostenrijk gaat herkomst kunstwerken in musea onderzoeken

MICHAEL DE WERD − 15/01/98, 00:00

WENEN - Nog altijd bestaat onduidelijkheid over de twee schilderijen van Egon Schiele uit de collectie-Leopold, die anderhalve week geleden in New York door de justitie in beslag genomen werden. Twee Joodse families maken aanspraak op de doeken, omdat deze door de nazi's gestolen zouden zijn. De Oostenrijkse regering heeft gisteren laten weten de herkomst van alle werken in staatsmusea te laten onderzoeken op herkomst.

Volgens eigen zeggen heeft Rudolf Leopold de werken echter op volkome legale wijze verworven: “Ik heb nooit schilderijen gekocht, waarvan ik wist dat zij hun Joodse eigenaren ontnomen waren.” Dat hij door sommige Amerikaanse media min of meer als een nazi afgeschilderd werd, beschouwt hij als een diepe belediging: “Mijn vader was een fervent tegenstander van het Derde Rijk. Ik werd daarom ook verschillende malen door de nazi's in elkaar geslagen.”

Ook de Oostenrijkse regering, die sinds 1994 de eigenaar van de omstreden werken is, heeft met verontwaardiging gereageerd. “Wij duiken toch niet met de schilderijen onder”, stelde Minister van Cultuur Elisabeth Gehrer. Volgens Gehrer betekent de inbeslagname 'een zware slag voor de internationale uitwisseling van kunst'. Desondanks wil Oostenrijk vermijden dat de schilderijen een belasting vormen voor de Oostenrijks-Amerikaanse relatie. “Wij willen een snelle, zakelijke oplossing”, zei kanselier Klima.

De affaire brengt ongewenste publiciteit met zich mee voor één van de belangrijkste collecties moderne kunst in de wereld. In de jaren '50 begon de Weense oogarts Rudolf Leopold met het verzamelen van 20ste-eeuwse Oostenrijkse kunst. Terwijl werken van Schiele of Klimt toentertijd nog voor een spotprijs te krijgen waren, steeg hun waarde in de loop der tijd zeer aanzienlijk. In 1993 werd Leopolds collectie op bijna één miljard gulden getaxeerd. Een jaar later verkocht hij haar echter voor 350 miljoen aan de Oostenrijkse staat, onder voorwaarde dat zij een eigen museum zou krijgen met hemzelf als directeur. Dat de erfgenamen zich pas gemeld hebben, toen de schilderijen zich voor een expositie in het Museum of Modern Art in New York bevonden, was niet toevallig. “Toen wij het schilderij in 1966 voor het eerst ontdekten, kwamen wij tot de conclusie dat het op grond van de wetgeving onmogelijk was om in Oostenrijk aanspraken te stellen”, zegt Rita Reif, die aanspraak maakt op het schilderij 'Tote Stadt III'. Voor de oorlog zou het in het bezit zijn geweest van de cabaretier Fritz Grünbaum, die in Dachau om het leven kwam. “Wij hebben gehoord dat hij vlak voor zijn deportatie zijn complete inboedel voor 200 rijksmark aan een antiekhandelaar verkocht heeft”, vertelt Reif. In 1956 had Leopold 'Tote Stadt III' echter in ruil voor een ander schilderij verworven van de kunsthandelaar Otto Kallir, die voor de nazi's naar New York was gevlucht. Kallir had het op zijn beurt weer gekocht van een Oostenrijkse jodin die naar België was geëmigreerd.

Nog onduidelijker zijn de aanspraken van de familie Bondi op het Schiele-schilderij 'Wally'. Voor de oorlog zou het in bezit zijn geweest van Lea Bondi-Jaray. Dat klopt echter niet met de informatie van de üsterreichische Galerie, dat het doek in 1947 was teruggeven aan Robert Rieger, de erfgenaam van de vroegere eigenaar Heinrich Rieger, die in Auschwitz was vermoord. In 1950 verkocht Robert Rieger 'Wally' aan de üsterreichische Galerie, die het vier jaar later met Leopold tegen een ander schilderij ruilde.

De kansen voor teruggave van de schilderijen lijken gering te zijn. In Oostenrijk verschilt de situatie wat dat betreft niet van die in de meeste andere Europese landen. Nog afgezien van de zwakke bewijzen hebben de erfgenamen met hun aanspraken meer dan een halve eeuw gewacht. Bovendien lijkt alles erop te wijzen dat Leopold de doeken 'te goeder trouw' gekocht heeft. Hoewel dat laatste principe in de Amerikaanse wetgeving niet van toepassing is, is het zeer de vraag of een proces in New York anders af zou lopen.

Ook in Amerika is niet iedereen tevreden met de gang van zaken. “Ik vind het verkeerd dat de Amerikaanse justitie de schilderijen in beslag heeft genomen. Dat is een polariserende ontwikkeling”, vindt Constance Lowenthal, die zich namens het World Jewish Congress met de teruggave van 'geariseerde' kunst bezighoudt. Positief vindt Lowenthal daarentegen het voorstel van Leopold om een onafhankelijke commissie in het leven te roepen, die de achtergronden van de schilderijen moet onderzoeken.

Eén ding is zeker: de controverse rond de twee schilderijen van Schiele is maar één voorbeeld voor het immense probleem van de geariseerde kunst. Hoewel na de oorlog in totaal 2,5 miljoen kunstwerken aan de Joodse eigenaren of hun erfgenamen werden teruggegeven, is eveneens duidelijk dat talloze andere verdwenen zijn.

Minister Gehrer ziet in de kwestie in elk geval voldoende aanleiding om de oorsprong van alle kunstwerken in Oostenrijkse musea te laten onderzoeken. Desondanks blijft zij erbij dat de twee Schieles naar Oostenrijk terug moeten komen: “De beide schilderijen bevinden zich legaal in ons bezit.”

mailIcon print |