*

 
dossier

Archief

Sorgdrager herinnert zich doorvoer harddrugs niet

Door: redactie − 10/11/95, 00:00

Van onze verslaggevers DEN HAAG - Minister Sorgdrager van justitie zegt in haar vorige baan als procureur-generaal in Den Haag niet te hebben geweten dat het Haagse Copa-rechercheteam criminele informanten cocaïne liet invoeren om een drugsbende in kaart te brengen.

Daarom waarschuwde Sorgdrager de toenmalige minister van justitie Hirsch Ballin niet, dat er enkele honderden kilo's harddrugs naar de straathandel waren doorgelaten, in een poging de drugslijn Colombia-Paramaribo-Nederland op te rollen.

De parlementaire enquêtecommissie opsporing twijfelt aan die uitleg van Sorgdrager. Want de Haagse hoofdofficier van justitie Blok verklaarde eerder voor de commissie-Van Traa, dat hij procureur-generaal Sorgdrager vlak na haar aantreden in Den Haag (januari 1994) wel degelijk op de hoogte bracht. Blok zou haar hebben verteld, dat het in 1993 aan enkele Surinaamse smokkelaars werd toegestaan testpakketten cocaïne in te voeren, om te bekijken of de kust veilig was. Dat gebeurde onder verantwoording van de voorganger van Sorgdrager, procureur-generaal Addens uit Leeuwarden, die het Haagse ressort korte tijd waarnam.

Sorgdrager zei gisteren voor de commissie-Van Traa: “Ik herinner me niet dat we over doorleveren van harddrugs hebben gesproken.” Ze wilde hoofdofficier Blok niet rechtstreeks van leugens betichten. “Maar ik weet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat hij het me niet heeft gezegd. Ik verklaar dit naar eer en geweten.”

Blok hield zijn versie vorige week voor de commissie-Van Traa staande, ondanks het feit dat hij op de ochtend voor zijn verhoor over de kwestie werd gebeld door Sorgdrager. In dat voorgesprek werden de minister en de officier van justitie het niet eens.

De parlementaire enquêtecommissie die gisteren na negen weken verhoren de laatste getuigen opriep, gaat de tegenstrijdige verklaringen van Sorgdrager en Blok nader onderzoeken. Wellicht worden de twee opnieuw verhoord.

Sorgdrager herinnert zich wel, dat ze op 17 januari 1994 een gesprek had met Blok. Maar in haar beleving vertelde de hoofdofficier destijds alleen iets over maatregelen om een criminele informant te beschermen. Een deel van het Copa-onderzoek moest 'gesloten' (lees: geheim) blijven voor de rechter.

De kwestie is van belang, omdat tijdens de parlementaire enquête de vraag rees waarom Sorgdrager begin vorig jaar Hirsch Ballin niet op de hoogte bracht van de vroegere harddrugsdoorvoer in Den Haag, terwijl grote politieke onrust ontstond over de IRT-kwestie, waarbij alleen softdrugs op de markt kwamen. Haarlemse rechercheurs van het IRT-team Noord-Holland/Utrecht lieten tientallen containers softdrugs door, om een criminele informant vertrouwen te laten winnen in een grote drugsbende.

Sorgdrager vertelde de enquêtecommissie, dat ze na het uitbreken van de IRT-affaire voorstander bleef van opsporingsmethoden waarbij de politie criminele informanten gelegenheid geeft drugs op de markt te brengen. Ze heeft dat in maart 1994 zelfs met klem gemeld aan haar minister, Hirsch Ballin. Sorgdrager gaf gisteren toe, dat ze bang was dat de methode “in de hitte van het moment” volledig zou worden gestopt.

Hoewel Sorgdrager uit de verhoren van de enquêtecommissie begreep dat de rechercheurs van de Haarlemse criminele inlichtingendienst de zaak volledig uit de hand hebben laten lopen, meent ze nog steeds dat de omstreden drugsdoorvoer-methode moet kunnen. Maar wel met strikte controle op informanten en pas na goedkeuring van de procureurs-generaal. In uitzonderlijke gevallen mogen criminele informanten aan hun operaties verdienen. “Je moet dat niet uitsluiten.”

Haar collega-minister Dijkstal van binnenlandse zaken stelde zich voor de enquêtecommissie terughoudender op. Dijkstal wil het inschakelen van criminele informanten door de politie niet voor zijn rekening nemen.

- Meer nieuws op pagina 4

mailIcon print |